Categorieën
Filosofie

Wat is Verlichting eigenlijk?

De denkende mens

In zijn verhandeling  “Beantwortung der Frage: was ist Aufklärung?“ (“Beantwoording van de vraag: wat is Verlichting?”), neemt Kant het standpunt in dat Verlichting bestaat uit het proces waarin de mens zijn onmondigheid ontstijgt omdat hij zelfstandig en onafhankelijk gaat nadenken. Het devies van de Verlichting is voor Kant dan ook: durf te denken. Sapere aude! Daarbij sluit Kant overigens wel mensen uit die volgens hem niet beschikken over voldoende verstand.

De mens is volgens Kant zelf schuldig aan zijn onmondigheid. De mens is namelijk geneigd tot luiheid en lafheid. Sterker nog, de mens houdt zelfs van deze passieve houding. Daardoor laat de mens het zich graag aanleunen dat een ander hem bevoogdt en leidt. Daarom, zo stelt Kant, zullen de meeste mensen zich niet uit zichzelf bevrijden. Daarvoor hebben ze een externe prikkel nodig. 

Kant stelt in zijn artikel echter ook dat de mens van nature geneigd is tot weetgierigheid. De mens is voor hem geen machine die slechts commando’s uitvoert.

Daarmee neemt hij een positie in die tegenstrijdig lijkt. Waarom zouden de meeste mensen immers, als zij gezegend zijn met een dergelijke intrinsieke aandrift, dan een externe prikkel nodig hebben? Dat lijkt op een druk op de knop van de machine die de mens nu juist niet is.

Als de mens beschouwd wordt als een strikt rationeel wezen, zou dat inderdaad een merkwaardige positie zijn. Het lijkt er echter op dat Kant de mens niet als zodanig beschouwt. Zijn paradox kan worden onderbouwd door het standpunt dat de mens vele eigenschappen bezit, die in tegenspraak met elkaar kunnen zijn, en die elkaar zelfs kunnen bevechten. Op deze manier wordt de mens beschouwd als een (deels) irrationeel wezen dat van tijd tot tijd een duwtje in goede richting nodig heeft. 

Leiderschap

Een groot deel van Kant’s verhandeling heeft betrekking op de vraag naar wat goed bestuur inhoudt. Kant stelt dat het getuigt van goed leiderschap als een monarch de mens activeert om onafhankelijk na te denken. Deze vrije gedachtenvorming kent echter volgens Kant wel belangrijke beperkingen. Hij maakt, om deze beperkingen uit te leggen, onderscheid tussen een publiek domein en een privédomein. 

Het publieke domein kent idealiter een volkomen vrije gedachtenuitwisseling tussen experts over belangrijke onderwerpen als godsdienst en wetgeving. Deze experts vormen ook de leiders van het onmondige volk. Daarom is dat vrije debat volgens Kant zo belangrijk. Er is anders geen sprake van vooruitgang: het mondig maken van de mens. Verlichte experts zetten de mens aan tot nadenken en behoeden de mens voor dwaalwegen.

Het privédomein is voor Kant het domein waarin de mens in zijn sociale context staat. Aan die context hangen de verplichtingen vast die de mens bijvoorbeeld heeft als burger, arbeider en lid van een kerk. Hierin, zo stelt Kant, moet de mens gehoorzamen en voldoen aan zijn plichten. Alleen zo kan de maatschappij functioneren als een gemeenschap. 

De conclusie van Kant is dat een wijze monarch zowel waakt over die gemeenschapszin en openbare rust, als over de bevrijding van zijn onderdanen van onmondigheid. 

Kant stelt dat zijn eigen tijdperk geen verlichte tijd is. Hij meent wel dat sprake is van een ontwikkeling waarin steeds meer mensen verlicht raken. Dat proces is echter bij lange na niet voltooid.  Kant besluit zijn verhandeling met de constatering dat zijn standpunt een belangrijke paradox bevat: hoe groter de vrijheid, des te belangrijker zijn de grenzen die daarbij niet overschreden mogen worden.

De handtekening van Immanuel Kant

Radicale Verlichting en presentisme

Er zijn historici die Kant op deze paradox aanvallen. Jonathan Israel is een belangrijk voorbeeld. Hij stelt dat de Verlichting een programma was waarin de mens zich bevrijdt van (geestelijke) onderdrukking, en waarin belangrijke politiek-filosofische standpunten als gelijkheid, vrijheid en democratie worden omarmd en gerealiseerd. Israel onderscheidt de radicale Verlichters, die zonder reserves streefden naar revolutie, van de gematigde Verlichters, die niet zover wilden gaan. Voor de radicalen was de monarch een sta-in-de-weg van de Verlichting, terwijl Kant de monarch juist beschouwde als de hoeder daarvan.

Jonathan Israel’s standaardwerk over de Radicale Verlichting

Kant behoort in deze categorisering van Israel duidelijk tot de gematigden. Hij zou het mijns inziens daarmee volkomen eens zijn. Kant schrijft immers zelf dat revoluties niets opleveren. De mens is volgens hem geneigd tot een langzame, gestage ontwikkeling, en niet tot plotselinge veranderingen. Kant zou het ook eens zijn met de wijze waarop Israel het begrip “Verlichting” hanteert. Voor hem is het geen benaming voor een historiografische periodisering. Het is een politiek-filosofisch programma.

Er valt veel op Israel’s positie af te dingen als ze wordt beschouwd vanuit historiografisch oogpunt.  Zijn geschiedschrijving is doordrenkt van een politiek-filosofische stellingname die meer te maken lijkt te hebben met een actueel debat dan met de 18e eeuw. In de laatste decennia lijkt de opmars van universele waarden als mensenrechten en globalisering gestuit te worden. Israel ziet dit als een bedreiging.

Dat is een standpunt waar ik me in kan vinden. Het is echter wel zo dat het leggen van morele en ethische rasters over het verleden het risico in zich bergt dat het verleden gebruikt wordt om een punt te maken in een actueel debat. Israel kan zich naar mijn mening niet losmaken van dit presentisme.   

Categorieën
Schaken

Jan Brokken en ik. Op zoek naar Paul Keres (6/6)

Onze correspondentie is nog steeds op Jan Brokken’s webpagina te lezen. Ze luidt als volgt.

Beste Jan Brokken,

Als schaker, historicus, recent enthousiast lezer van Baltische Zielen en reiziger door de Baltische Staten ben ik gefascineerd geraakt door de Estse nationale schaakheld Paul Keres.

Die is, net als de historische personages in Baltische zielen, een man met een bewogen leven. Voor 1940 is hij al een nationale sportheld en een wereldkampioenskandidaat. In de oorlogsjaren schaakt hij eerst in de Sovjet-Unie en vanaf 1941 in Duitsland. In de zomer van 1944 gaat hij vanuit het veilige Zweden naar Tallinn om zijn familie redden. De boot die hen zou komen redden (samen met bijvoorbeeld leden van het kabinet) komt nooit aan. Hij blijft met zijn familie achter in Estland. Hij wordt echter niet gedeporteerd of gevangen gezet zoals zoveel lotgenoten. Hij moet schaken voor de Sovjet-Unie. Het gerucht gaat al jaren onder schakers dat hij zich heeft gered door een deal met de machthebbers: hij schaakt voor de Sovjet-Unie maar belooft dat hij nooit wereldkampioen wordt. Hij doet decennia mee aan toptoernooien in de wereld en behoort tot de Sovjet-schaakelite.

In 1975 overlijdt hij op 59-jarige leeftijd in Helsinki, op terugreis van een schaaktoernooi in Vancouver, aan een hartaanval. Hij krijgt een staatsbegrafenis in Tallinn. Hij was in 1962 sportman van het jaar in de Sovjet-Unie. Na 1991 wordt hij ook vereerd als nationale held in Estland, met vele standbeelden en nu dit jaar (zijn 100e geboortejaar) ook met postzegels en een euroherdenkingsmunt. Hij is dus zowel een held geweest ten tijde van de bezetting als in het onafhankelijke Estland. Dat lijkt me bijzonder.

Ik zit eraan te denken om, als ik de tijd kan vinden, te gaan schrijven over Paul Keres.

Maar het lijkt me een persoon die geknipt zou zijn geweest om op te nemen in Baltische zielen. Heeft u dat ooit overwogen?

Vriendelijke groet,

Frans Smit

Antwoord van Jan Brokken:

Erg interessante mail, waarvoor veel dank. Ik heb wel eens over Paul Keres gehoord, in de zin van: een beroemde schaker uit Estland die in 1939 onze nationale trots Max Euwe versloeg. Maar zijn troebele geschiedenis kende ik niet. Tijdens de nazi-bezetting van Estland heeft hij aan toernooien in Nazi-Duitsland deelgenomen. Ook vanuit Ests oogpunt bezien was dat collaboratie. Het mag een wonder heten dat de Sovjets dit later door de vingers zagen: ze konden Keres kennelijk heel goed gebruiken.Tragisch is zijn mislukte vlucht. Tijdens de Tweede Wereldoorlog hebben 30.000 Esten geprobeerd in bootjes de Oostzee over te steken om te ontsnappen aan de Sovjet-heerschappij en later in de oorlog aan de nazis. Zweden heeft bijna al deze vluchtelingen teruggestuurd. Paul Keres zou zeker een hoofdstuk in Baltische zielen waard zijn geweest. Hoewel ik veel moeite zou hebben gehad om enig begrip bij de lezers te wekken voor een grootmeester die zich eerst voor het nazi-karretje liet spannen en vervolgens voor de Sovjet-Unie uitkwam. In beide gevallen kon hij moeilijk anders, maar moedig is hij beslist niet geweest. Ik zou graag een zoon of een dochter van hem willen spreken. Hoe kijkt zijn familie aan tegen zijn handelwijze? Kunnen zij het verklaren? Het antwoord zal ongetwijfeld fascinerend en beklemmend zijn.

De vraag staat nog steeds open.

Ik heb nog immer een plan om een boek over Paul Keres te schrijven. Geen schaakboek, want daar zijn er veel van. Paul Keres heeft bovendien zelf veel over zijn schaakavonturen geschreven. Hij heeft ook een aantal schaakleerboeken geschreven die als standaardwerken gelden. 

Het standaardwerk over Paul Keres, Meie Keres

Ik denk meer aan een volwaardige biografie. Is er dan geen biografie over Paul Keres? Ja, die is er. Hij is geschreven door zijn vriend en bewonderaar Valter Heuer (die al in de vorige blogs is geciteerd). Hij heeft een lijvig boek over Paul Keres geschreven, met als titel “Meie Keres”. De vertaling van die titel is “Onze Keres”. Die titel is denk ik veelzeggend over het perspectief van Heuer. Maar dat is een vermoeden. Ik heb het boek in huis. Ik heb het echter nog niet gelezen. Daarvoor moet ik eerst een cursus Ests volgen. 

De volgende uitdaging

Een nieuwe biografie zou geschreven kunnen worden vanuit de vraag hoe het toch kan dat Keres zo’n heldenstatus had, en nog steeds heeft. Wat is zijn “functie” als held voor het hedendaagse Estland? Wie heeft er baat bij bijvoorbeeld? En waarom? Het zijn boeiende vragen die misschien beter door een buitenstaander kunnen worden onderzocht.

Ik sluit mijn serie blogs over Paul Keres (voorlopig?) af met de volgende overwegingen:

  1. Paul Keres komt op me over als een zeer sympathieke, elegante, doch redelijk kleurloze persoon. Dit imago doet me denken aan wat Fellini ooit over Marcello Mastroianni gezegd zou hebben. Fellini merkte op dat Mastroianni voor hem een ideale acteur was omdat hij geen uitstraling had. Daarom kon hij hem allerlei soorten personages laten spelen. Is misschien iets dergelijks aan de hand met de mythevorming van Paul Keres? Aangezien hij zich nooit echt in het publiek heeft uitgesproken over politiek bijvoorbeeld (een overlevingsstrategie), kan een ieder zijn/haar beeld op hem projecteren. Je kunt net zo makkelijk een held als een laffe meeloper van hem maken. Dat zegt dan niet veel over Paul Keres, maar wel alles over de mensen die hem goed kunnen gebruiken.
  2. Nederlanders denken vaak heel goed te weten wie goed is, en wie niet. Dat komt m.i. voornamelijk doordat de meesten niet nadenken, zich niet inleven in anderen en zelf eigenlijk niet veel hebben meegemaakt. Om het iets academischer uit te drukken: Nederlanders zijn snel geneigd om morele rasters over de geschiedenis heen te leggen, en om op basis daarvan een ongezouten mening te geven. Het is onmogelijk om over een fascinerend persoon en een overlever als Paul Keres op een oprechte en goed onderbouwde manier een dergelijk absoluut ethisch oordeel te vormen.

Categorieën
Algemeen Informatietheorie

Drie wegwijzers

Om enigszins wezenlijk in contact te blijven met de collega’s, is wederom het initiatief genomen om een estafettemail te maken. Dit keer staat niet de coronacrisis centraal, maar de boeken en muziek die voor jou van belang zijn geweest. In de afgelopen week was het mijn beurt. Hieronder volgt, in licht gewijzigde versie, mijn bijdrage.

Onlangs heb ik een mooi begrip bijgeleerd: het archimedisch punt. Dat is een metafoor voor een onbetwijfelbaar ankerpunt voor theorieën en overtuigingen. Je kunt zo’n startpunt ook beschouwen als prisma, of als wegwijzer. Hieronder treffen jullie drie van mijn wegwijzers aan.

In de Bovenkooi

Ik was 14 jaar oud, was overgegaan naar Atheneum 4, en had begrepen dat we literatuur moesten gaan lezen. Maar dat hadden we thuis niet in de boekenkast staan. Ik ging daarom naar boekhandel Overbosch in Enkhuizen en stelde de vraag: “Heeft u ook literatuur?”. Gelukkig trof ik een begripvolle verkoopster en na wat heen en weer gepraat pakte ze een boek van de plank. Ze raadde me aan om daarmee te beginnen. Het was In de bovenkooi van Maarten Biesheuvel.

Het is niet het beste boek dat ik ooit gelezen heb, maar het was wel een fantastische wegwijzer. Ik betrad totaal nieuwe werelden. Het debuut van Biesheuvel vliegt alle kanten op. Het gaat over brommers en stormen op zee, over tanker cleaning, over tragisch afgelopen scholierenliefdes, en, onvermijdelijk bij Biesheuvel, over psychiatrische inrichtingen. Sommige verhalen lijken zo weggelopen te zijn uit een bundel van Tsjechov. En er staat ook een lijst van schepen in, die afgekeken is van Homerus.  En altijd speelt dat ongelukkige brilletje een belangrijke rol.

De Barbaren

Zo’n jaar of 15 geleden begon ik na te denken over de volgende paradox: ik ben ict-er én ik ben archivaris, maar ict-ers en archivarissen begrijpen elkaar totaal niet. Hoe kan dat? Uiteindelijk kwam ik tot de conclusie dat ICT-ers geen goed begrip hebben van de betekenis van het bestaan van informatie (ontologie), terwijl archivarissen geen goed begrip hebben van het ontstaan en van het verwerken van informatie (functie).

Dat lijkt een fraai inzicht. Maar daarna leerde ik dat dit eigenlijk schijnproblemen zijn. Dat heb ik te danken aan De Barbaren van Alessandro Baricco. Baricco, een Italiaanse schrijver en filosoof, schrijft dat “begrijpen” en “diepgang” tegenwoordig niet meer belangrijk zijn. Het gaat tegenwoordig om het vinden van correlaties op de oppervlakte. Oorzaak-gevolg denken is passé.  Dat is een relict van het 19e-eeuwse burgerlijke beschavingsideaal, dat in het google-tijdperk ten onder is gegaan. 

Baricco betoogt dat zowel subject als object een mutatie hebben ondergaan. Dat is een intrigerende gedachte.  Hij beschrijft dat de grond onder je voeten verandert. Daarom moet je grondig veranderen om te kunnen overleven. De macht is aan de barbaren: de vreemdelingen die wel in het landschap gedijen. In 2014 schreef ik daarom dat archiefinspecteurs kieuwen moesten krijgen om te kunnen blijven ademen.

Tijdens een presentatie die ik dat jaar hield bij de ICA in Brussel werden ze er bang van. En dat begreep ik dan weer niet. Het is toch superboeiend om getuige en deelgenoot te zijn van de meest grondige transformatie die ons vakgebied ooit heeft gekend?

Alessandro Baricco is in de afgelopen 10 jaar een grote professionele inspiratie geweest, naast die andere Italiaanse wegwijzer: de informatiefilosoof Luciano Floridi. Overigens heeft Baricco vorig jaar een opvolger geschreven: The Game. Dat moet ik nog lezen.

Revolver

Het duurt slechts 35 minuten en 1 seconde, het is opgenomen met een 4-sporen bandrecorder en het is gemaakt in 1966: Revolver. Het geldt nog steeds als het archetype van een goede popplaat. Voor mij is Revolver het startpunt geweest om allerlei andere muziek te leren kennen. Het is de wegwijzer geweest naar Bach en Schubert, naar wereldmuziek, rock, soul, gezellige schlagers, psychedelica en techno. Het staat er allemaal op. En de teksten bestrijken een breed spectrum van de menselijke conditie: slapeloosheid, eenzaamheid, verlangen, afwijzing, uitstelgedrag, pretentieloze onzin, dood, eeuwige wederkeer, liefde, zonneschijn en belastingen. En vergeet ook de hoes niet: een mooie collage van grafisch ontwerper Klaus Voormann.

Ik heb 6 exemplaren van Revolver. En ik wacht met smart op die nieuwe remix, inclusief Dolby Atmos-versie. Maar dat zal er wel van komen, ergens in de komende jaren.

Categorieën
Schaken

Een ingewikkeld vaderland. Op zoek naar Paul Keres (4/6)

Sinds maart is ons dagelijks leven flink door elkaar geschud. Een grote, wereldomspannende, gebeurtenis is direct in ons privé-leven gedrongen. Dat is voor de Nederlanders van mijn generatie een nieuwe collectieve ervaring. Wij hebben geen oorlogen, natuurrampen of dictaturen meegemaakt. Economische crises, zoals die in de jaren 70 en 80 van de vorige eeuw, en in de jaren na 2008, komen er nog het dichtste bij. Maar tot op heden is een groot deel van onze bevolking gezegend met een relatief beschermd leven, waarin geklaagd wordt over onderwerpen waar driekwart van de wereldbevolking jaloers op zou zijn. Wat we nu ervaren is misschien wel een breuk. Dit virus kan, samen met de nog veel grotere impact van klimaatveranderingen, ons leven voortaan beslissend bepalen.

Estland is, veel meer dan Nederland, gewend aan het doorstaan van ingrijpende ontwikkelingen. Het is een land dat tot nu toe slechts 50 jaar onafhankelijkheid heeft gekend. De rode draad van de geschiedenis van Estland is dat het werd overheerst door alle nabijgelegen machten. Het is bezet geweest door Duitsers, Zweden, Polen en Russen. De laatsten waren in de 20e eeuw vermomd als de Sovjet-Unie.

In the Crosswind (2014).

In de 19e eeuw nam, zoals praktisch overal in Europa, het nationalisme ook in Estland toe. Estland behoorde toen tot het Russische tsarenrijk. De Eerste Wereldoorlog zag eerst de implosie van dat Russische rijk. Daarna volgde de ondergang van het Duitse keizerrijk. In dat machtsvacuüm slaagde Estland erin onafhankelijk te worden. Die onafhankelijkheid werd behouden tijdens een oorlog met de bolsjevieken. In tegenstelling tot Oekraïne wist Estland onafhankelijk te blijven. In 1921 trad het toe tot de Volkenbond. Estland werd een parlementaire democratie. De 19e-eeuwse nationalistische droom kwam uit.

Estland wist de onafhankelijkheid tot 1940 te bewaren. De democratie werd wel geslachtofferd. In 1934 werd de noodtoestand afgekondigd met als motivatie dat de fascistische beweging een te grote bedreiging werd. Daarmee werd Estland een autocratie, net als andere Europese landen als Polen, Hongarije en Oostenrijk.

In 1939 sloten Nazi-Duitsland en Sovjet-Rusland het verdrag dat de geschiedenis is ingegaan als het Molotov-Ribbentrop pact. Onderdeel van dat akkoord was dat Midden-Europa door de twee herrezen grootmachten in invloedssferen werd verdeeld. Estland kwam terecht in de Russische invloedssfeer. In 1940 werd het dan ook geannexeerd door de Sovjet-Unie. 

Esten herinneren zich die eerste periode van Sovjet-bezetting als vol van terreur. Tegenstanders werden uit de weg geruimd. In juni 1941 vond een deportatie plaats van ruim 10.000 Esten naar Siberië. In 2014 is daarover een even prachtige als huiveringwekkende film gemaakt: In the Crosswind. Het is een bijzondere film die opgebouwd is uit een reeks tableaux-vivants. 

Vrij snel na deze massadeportatie viel Nazi-Duitsland de Sovjet-Unie aan. Estland werd vanaf augustus 1941 bezet door de Duitsers. Het waanidee van sommige Esten dat dit kansen bood om de onafhankelijkheid te verkrijgen, werd snel ontzenuwd. De Duitsers waren slechts geïnteresseerd in Estland als een wingewest.

Bovendien pleegden de Duitsers, net als overal in Midden- en Oost-Europa, door middel van hun Einsatzgruppen, grootschalige massamoord op Joden, Roma, gehandicapten en politieke tegenstanders. Het aantal liep op tot boven de 30.000. Ruim 3.000 Joden konden nog vluchten naar de Sovjet-Unie. De eerste acht maanden van de Duitse bezetting zijn de meest bloedige van de hele Estse geschiedenis geweest. Veel Esten waren ook vatbaar voor het nazisme. De Duitsers wisten Esten te werven voor hun Einsatzgruppen

Boot waarmee in 1944 een vluchtpoging naar Zweden is gemaakt.
Vabamu museum of occupations and freedom, Tallinn.
Foto: Frans Smit

Na krap drie jaar Duitse bezetting kwam in 1944 het Rode Leger terug. In 1943 hadden de Geallieerden afspraken gemaakt over de verdeling van Europa. Afgesproken werd dat de Baltische staten wederom onder de invloedssfeer van de Sovjet-Unie van Stalin zouden vallen. Wat wij in het Westen doorgaans als bevrijding aanmerken, is door veel Esten ervaren als een nieuwe bezetting. 80.000 van hen vluchtten. Net als de Engelandvaarders, en veel later de Vietnamezen, werden veel Esten bootvluchteling. Zij trachtten over het water Zweden te bereiken. Er werd ook verzet gepleegd. Tot in de jaren 50 was in Estland, zoals ook in andere Midden-Europese Sovjetrepublieken zoals Oekraïne en Litouwen, een verzetsbeweging actief. 

Estland leed onder het stalinisme. In 1949 herhaalde zich op nog grotere schaal wat in 1941 al gebeurd was: een deportatie van circa 20.000 Esten naar Siberië. Daarnaast ondergingen de Baltische staten ook een russificatie. Het aandeel Russen onder de bevolking nam toe. En de culturele dominantie was ook evident. Een klein voorbeeld: Paul Keres werd doorgaans op zijn Russisch geadresseerd als Paul Petrovich Keres. Het gebruik van een patroniem is ongebruikelijk in Estland. 

Alle Baltische staten hebben een museum over de periode die ze aanduiden als het tijdperk van de bezettingen. Dat duurde van 1940 tot 1990. Het wordt zo ongeveer beleefd als in Nederland de jaren 1940-1945 worden ervaren. Alleen duurde de bezetting van het Balticum tien keer zo lang. 

De ingang van het Vabamu-museum.
De koffers verbeelden de deportaties in 1941 en 1949.
Vabamu museum of occupations and freedom, Tallinn.
Foto: Frans Smit

Vooral het museum in Litouwen, in de hoofdstad Vilnius, is ronduit luguber. Het is gevestigd in het voormalige KGB-hoofdkwartier. Het geeft een indringend beeld van de martelpraktijken. Het geeft ook een duidelijke indruk van het perspectief van waaruit teruggekeken wordt. De langdurige bezetting wordt neergezet als een antithese van het heden. Nu zijn de burgerlijke vrijheden en de parlementaire democratie wel geborgd.

De kleine landen van Europa werden in de 20e eeuw overvallen door de twee wereldoorlogen. Estland was een speelbal van totalitaire regimes in Rusland en Duitsland. Het was een lot dat de bevolking voor een groot deel overkwam, op een manier die wij ons moeilijk uit eigen ervaring kunnen voorstellen. 

Paul Keres groeide op toen Estland onafhankelijk was. Net als alle andere Esten werd hij meegezogen in de lotgevallen van zijn land. Hij moest bijvoorbeeld ook beslissen over al of niet vluchten. Hoe doorstond hij de jaren veertig? Welke keuzes maakte hij? Daarover gaat de volgende aflevering in deze serie.

(wordt vervolgd)

Noot

De informatie uit deze blog is gebaseerd op: Andrejs Plakans, A Concise History of the Baltic States, Cambridge University Press, 2011. Daarnaast is gebruik gemaakt van Wikipedia.

Categorieën
Schaken

In overlevingsmodus. Op zoek naar Paul Keres (5/6)

Iedereen heeft wel eens tijden beleefd waarin overleven centraal staat. Je komt dan aan weinig anders meer toe. Het is gedurende zo’n periode al knap als je voor elkaar krijgt dat het leven niet erger wordt dan het is.

Het kan gebeuren dat je in overlevingsstand moet omdat er in je omgeving dingen gebeuren waar je weinig aan kunt doen. Denk aan oorlogen, rampen, staatsterreur of hongersnood.

In de vorige blog heb ik een korte schets gegeven van wat Estland overkwam vanaf de jaren ‘40. In 1940 was Paul Keres 24. Ik denk dat zijn leven in die jaren zo door elkaar is geschud dat hij permanent in overlevingsmodus verkeerde.

De kans is groot dat zijn leven daardoor danig bekort werd. Vanaf begin jaren ‘60 had hij medicijnen tegen hoge bloeddruk. In 1975 werd een hartaanval hem fataal. Hij was nog maar 59 jaar.

1940

In 1940 was het onduidelijk wie Aljechin mocht uitdagen voor het wereldkampioenschap. In 1938 was de ongelukkige Salo Flohr afgevallen. De Tsjech was, vanwege de annexatie van zijn land door Nazi-Duitsland, gevlucht naar de Sovjet-Unie. Hij was al zijn bezittingen kwijt.

De voornaamste kandidaten waren daarna Botvinnik en Keres. Zij werden in 1940 landgenoten doordat de Sovjet-Unie Estland had geannexeerd. Keres nam dat jaar deel aan het kampioenschap van de SU. Hij werd vierde. Mikhail Botvinnik was met een zesde plaats nog minder succesvol. Laatstgenoemde weet dat aan de gebrekkige speelomstandigheden. Een bekende reflex bij schakers.

Botwinnik was onder andere niet gecharmeerd van het enthousiasme dat het publiek aan de dag legde voor de elegant geklede Keres, wiens verschijning in groot contrast stond met wat toentertijd in de Sovjet-Unie gebruikelijk was. Na Keres’ eerste overwinning applaudisseerde onder andere componist Sergei Prokofiev wel erg hard. Botvinnik zorgde er daarom voor dat applaus voortaan verboden werd.

Hij kreeg ook voor elkaar dat er een extra meerkamp werd gehouden: het toernooi om de titel van ”Absolute Kampioen van de USSR“. Dat werd wel door Botvinnik gewonnen. Keres werd tweede. Daardoor werd Botvinnik de facto wereldkampioenschapskandidaat.

Ondertussen kroop Keres door het oog van de naald toen hij tijdens het toernooi een grapje maakte over worstjes die in een Moskouse etalage lagen. Die worstjes waren van hout. Dergelijke grapjes konden in die tijd een doodvonnis betekenen. Dat werd Keres vermoedelijk bespaard omdat de opmerking toen niet in de openbaarheid kwam. De Letse schaakkampioen Vladimirs Petrovs overkwam dat wel. Hij werd veroordeeld omdat hij kritische opmerkingen had gemaakt over de lage levensstandaard in de Sovjet-Unie. De arme Petrovs overleed in 1943 in een Siberisch strafkamp.

1941-1944

In 1941 trouwde Paul Keres met Maria Riives. Hij studeerde wiskunde en probeerde met schaken de kost te verdienen. In dat jaar raasde de wereldgeschiedenis voor de tweede keer in korte tijd over Estland. Nazi-Duitsland viel de Sovjet-Unie aan en bezette, op weg naar Leningrad, in snel tempo de Baltische Staten.

In deze bezettingsjaren bleef Keres met schaken de kost verdienen. Een enkele keer deed hij mee aan een schaaktoernooi. In 1943 speelde hij in Praag tegen Aljechin, die hem meermalen uitnodigde om een match om het wereldkampioenschap te spelen. Keres weigerde echter.

Uiteraard was zijn persoonlijke veiligheid nooit echt gegarandeerd. Estland was onderdeel van wat de historicus Timothy Snyder later de Bloodlands heeft genoemd: het Midden-Europa dat gemangeld werd tussen Hitler en Stalin. Niemand was veilig.

Paul Keres had het enorme geluk dat hij niet hoefde te vechten in het leger omdat hij als kind een handblessure had opgelopen. En een vriend heeft hem gered van een Duits executiepeloton door de commandant ervan te overtuigen dat het heel erg dom zou zijn om een wereldtopper als Keres dood te schieten.

Keres speelt tegen Aljechin. Praag 1943. Foto uit: Valter Heuer, Meie Keres, Tallinn, 2011.

1944

Het verhaal gaat dat Keres in 1943 aan Aljechin gevraagd zou hebben wat er met hem zou gebeuren als hij in handen van de bolsjewieken zou vallen. Het antwoord was: die maken je zonder pardon een kop kleiner.

In 1944 drong het Rode Leger de Duitsers snel terug. Voor veel Esten was dat een slecht voorteken. Wat ons voorkomt als een bevrijding, werd door hen gezien als een bedreiging. Daarom vluchtten zij in tienduizenden over zee naar Zweden. Curieus genoeg maakte Keres in die weken de tegenovergestelde reis. Hij nam deel aan een schaaktoernooi in Zweden, maar hij ging terug naar Estland. Zijn doel was om samen met zijn vrouw alsnog te vluchten.

Het is nooit tot een vlucht gekomen. Maria en Paul zouden met een aantal andere prominente Esten per boot vluchten. Voor Maria hoefde het niet, maar Paul wilde naar het westen. De boot kwam echter niet. Het gevolg was dat iedereen achterbleef en in handen viel van het Rode Leger.

De meeste medevluchtelingen eindigden in gevangenschap. Dat is Keres echter niet overkomen. Op de een en of andere manier ontkwamen zijn vrouw en hij aan dat lot. Keres bleef in Tallinn, ging schaakles geven en bleef zoveel mogelijk onder de radar. Hij was in levensgevaar. Zoveel was duidelijk. Hij kreeg regelmatig bezoek van geheim agenten van de NKVD.

Botvinnik wint in Groningen in 1946. Keres mocht niet meedoen. Foto: Nationaal Archief

1945-1948

Het was, gezien de omstandigheden, een wonder dat hij nog niet was gevangen gezet, gedeporteerd of erger. In 1945 ondernam Keres een poging om gerehabiliteerd te worden. Hij schreef een bedelbrief aan het oppermachtige politbureau-lid Molotov, waarin hij verzocht om weer deel te mogen nemen aan het schaakleven in de Sovjet-Unie. Hij had daarbij een beschermheer in de persoon van de Estse partijleider Karotamm.

In de daaropvolgende jaren mocht hij meer en meer deelnemen aan schaakactiviteiten. Zo gaf hij in 1946 een simultaan op een marineschip. Hij mocht niet meedoen met de beroemde schaakmatch USSR-USA in 1945 (per telexverbinding). En hij mocht ook niet deelnemen aan het eerste grote na-oorlogse schaaktoernooi: Groningen 1946.

In 1947 werd hij echter toegelaten tot het kampioenschap van de Sovjet-Unie. Hij werd meteen kampioen. Daardoor stelde hij zich, na alle voorgaande moeilijke jaren, duidelijk weer kandidaat voor het wereldkampioenschap.

Je kunt zeggen dat Paul Keres daarmee gerehabiliteerd was. Maar hij moest nog wel een open brief incasseren, ondertekend door vele Sovjet-meesters en grootmeesters, waarin hij beschuldigd werd van anti-sovjetactiviteiten. Dit soort publieke beschuldigingen kwamen onder het stalinisme vaak voor.

Daarna bleef Paul Keres een vreemde eend in de bijt van het Sovjet-schaken. Hij verschool zich achter een muur van ironie, van vriendelijke distantie en van zwijgzaamheid over zijn lotgevallen.

In 1948 maakte Karel van het Reve Paul Keres mee. Van het Reve schrijft: “Ik heb Stalin in de open lucht gezien. Dat was op 1 mei 1948, op het Rode Plein. Hij stond op het mausoleum, ik stond op de tribune waar belangrijke buitenlandse gasten en diplomaten op staan. Naast mij stond onder andere de schaker Paul Keres. Toen de parade voorbij was zei hij: ‘Na, gehen wir bridgen.’”

Paul Keres heeft geleefd in twee landen die zo ongeveer in alles van van elkaar verschilden: het land waarin hij opgroeide en het land dat bezet werd door Duitsland en de Sovjet-Unie. Allebei Estland.

Toen hij in 1975 overleed, wonden de Sovjet-autoriteiten er geen doekjes om. De schrijver van het in memoriam in 64, het beroemde schaakmagazine van de Sovjet-Unie, werd door het Sovjet-sportcomité op het hart gedrukt dat de dood van Paul Keres een groot verlies was voor Estland. Maar niet voor de Sovjet-Unie.

Paul Keres geeft simultaan aan 40 borden op het marineschip Oktoberrevolutie. 1946. Bron: https://www.muis.ee/museaalview/2079736

De distantie en de zwijgzaamheid van Paul Keres zouden wel eens het gevolg kunnen zijn van de overlevingsmodus, waarin hij decennia lang geleefd moet hebben.

Boris Spassky merkte op dat het voor Paul Keres onmogelijk moet zijn geweest om alles te vergeten.

Als je op een smal koord moet dansen om te overleven, hoe kun je dan alles richten op het smalle pad naar de wereldtitel?

(wordt vervolgd)

Deze blog is gebaseerd op de volgende publicaties:

  • Bernard Cafferty and Mark Taimanov, The Soviet Championships, New York, 1998.
  • Joosep Grents, Paul Keres IV: The War Years. https://chess24.com/en/read/news/paul-keres-iv-the-war-years
  • Valter Heuer, The troubled years of Paul Keres, The Great Silent One, in: New in Chess, 1995/4, p.78-88.
  • Karel van het Reve, Verzameld werk 5, Amsterdam, 2010. p. 92. (met dank aan PeeWee van Voorthuijsen)
  • Genna Sosonko, In a silent way, in: New in Chess, 2007-8, p. 76-83.
Categorieën
Informatietheorie

Over pakhuizen, analoge schoenen en poortwachters. Een terugblik op 20 jaar denken over informatie. (2/2)

De Metamorfose (2013)
Vanaf 2010 tot 2018 werkte ik in Almere. Almere is een pioniersgemeente, een “New Town”. In 30 jaar is een stad uit de poldergrond gestampt, die nu meer dan 200.000 inwoners telt. De Gemeente Almere bleek een vruchtbare grond te zijn voor het vormgeven van twee functies die voordien daar nog niet bestonden. De eerste was die van interne toezichthouder (of: inspecteur) op het beheren van informatie. En de tweede was die van beleidsmaker op hetzelfde vakgebied. Het was niet altijd eenvoudig, maar wel boeiend om beide functies als eersteling uit te oefenen.

Visualisatie van mijn presentatie bij de Europese Centrale Bank in Frankfurt, mei 2018

Ik ben bij veel andere organisaties gaan kijken om te ontdekken hoe daar toezicht en beleidsontwikkeling werden uitgevoerd. Dat leverde me binnen korte tijd een enorm netwerk op. Ik werd docent bij de Archiefschool en gastdocent bij de Universiteit van Amsterdam. Ik werd lid van een landelijke werkgroep Professionalisering Archieftoezicht. En ik was in 2013 mederedacteur van het boek Profiteer, Profileer, Prioriteer! Daarin werden de ontwikkelingen in het toezicht op informatie in kaart gebracht.

De kloof tussen het denken in de archiefsector en in allerhande informatiedisciplines werd in mijn ogen steeds groter. Daarbij raakte de eerste op steeds grotere achterstand. Mijn conclusie was dat de archivistiek zijn inspiratie voor vernieuwing in andere vakgebieden moest zoeken. In mijn zoektocht stuitte ik op het werk van Luciano Floridi. Op meer praktisch niveau zag ik nieuwe ontwikkelingen in informatiemanagement en in information governance.

Ik kwam tot de conclusie dat het vak van informatiebeheer in de komende tijd onherkenbaar zou veranderen. Dat zou uiteraard zijn weerslag hebben op wat van de professional gevraagd zou worden. De records manager moest een metamorfose ondergaan. Het geweldige boek De Barbaren van Alessandro Baricco leverde de nodige cultuurfilosofische diepte aan dat inzicht.

Mijn zoektocht mondde uit in een presentatie die ik gaf op het congres van de International Council on Archives (ICA) in Brussel in 2013. De presentatie werd zeer goed ontvangen. Maar tot mijn lichte verbazing werden sommige aanwezigen er bang van.

Dezelfde boodschap heb ik daarna bij verschillende gelegenheden herhaald: in presentaties voor de American Records Management Association (ARMA) in 2014, voor de International Atomic Energy Agency (IAEA) in Wenen in 2018 en voor de Europese Centrale Bank (ECB), eveneens in 2018. In het blad van de ICA, COMMA, schreef ik een begeleidend artikel, dat je hieronder kunt downloaden.

Dit soort toekomstvisies op het vakgebied, en op de professional, worden nog steeds ontwikkeld. Dat gebeurde bijvoorbeeld onlangs nog in het Programma Digitaal Duurzame Informatiehuishouding, dat binnen de rijksoverheid wordt uitgevoerd.

De Poortwachter (2017)
Tijdens het ICA congres in Brussel, in 2013, kregen Rienk Jonker, Arnoud Glaudemans en ik, uiteraard na het nuttigen van een passende hoeveelheid trappistenbier, het lumineuze idee dat we een boek moesten maken over de veranderingen van ons vak. We vonden de benodigde ondersteuning bij de Stichting Archiefpublicaties. Bovendien was Luciano Floridi bereid om een aanbevelingsbrief te maken.

De samenstelling en de redactie van het boek namen een lange doorlooptijd in beslag. Maar het boek kwam er. Het werd gepresenteerd in december 2017. Het kreeg de titel Archives in Liquid Times. Het is op diverse plekken te downloaden, waaronder hier. Het is een bonte en boeiende verzameling essays geworden met veel nieuwe invalshoeken op traditionele archiefthema’s. De bedoeling was dat in het boek de theoretische ramen wijd open zouden worden gezet. Dat is, denk ik, wel gelukt.

Een voorbeeld van een vernieuwend perspectief werd in Archives in Liquid Times geleverd door data scientist Martijn van Otterlo. Hij deed precies waarop de redactie hoopte. Hij keek naar onze professie vanuit een andere, jonge, vakdiscipline. In het artikel wordt onder meer ingegaan op de manier waarop de archivaris toegang verschaft tot de beheerde informatie.

Die toegang wordt meer en meer verschaft met behulp van algoritmes. Sterker nog: de archivaris wordt volgens Van Otterlo geheel vervangen door een robot, die deze toegang geheel geautomatiseerd, zonder menselijke tussenkomst, zal verzorgen. De archivaris, die altijd al een soort poortwachter was, wordt ingewisseld door een hoeveelheid algoritmes. Zij zullen bepalen wie, wanneer en op welke wijze toegang krijgt tot welke informatie. Van Otterlo schrijft dat het niet de vraag is of dit gaat gebeuren, maar wanneer.

Wat nu? (2020-)
Ideeën zijn zelden het resultaat van een enkel individu dat plotseling, “out of the blue”, een unieke ingeving krijgt. Het gebeurt vaak dat mensen in ongeveer dezelfde periode, onafhankelijk van elkaar, over dezelfde onderwerpen dezelfde gedachten krijgen. “Het” hangt dan in de lucht en “het” daalt als het ware in ons neer.

Volgens de invloedrijke filosoof Jacques Lacan zijn mensen dan ook altijd “na-vertellers” van een groter verhaal. Dat verhaal, of discours, legt ons de woorden en de gedachten in de mond.

Het warehouse-idee uit het eerste deel van deze blog is hiervan een goed voorbeeld. Het concept werd ontwikkeld in Amsterdam. Het was het vertrekpunt van een informatie-architectuur die zo ongeveer 15 jaar is gebruikt. Maar de zoektocht naar informatiesystemen die bij ons idee zouden passen, maakte me aanvankelijk moedeloos. Er was niets geschikts te vinden. Zelf ontwikkelen was veel te duur.

Dit veranderde ineens toen ik in mei 2002, in de week dat Pim Fortuyn werd vermoord en Feyenoord de UEFA-CUP won, tijdens het DLM-forum in Sevilla een systeem uit Zwitserland zag. Ik geloofde mijn ogen niet. Het bleek dat ze hadden gebouwd wat ik voor ogen had. Tijdens het werkbezoek dat kort daarop volgde, bleek dat men in Basel op basis van identieke aannames dezelfde analyse hadden gemaakt. Zij hadden vervolgens het systeem gebouwd dat ik ook al had bedacht. Zonder dat we dat van elkaar wisten.

Volgens taalfilosoof Igor Bakhtin zijn al onze taaluitingen een schakel in een grote keten. Wij nemen in ons op wat tot ons komt. Wij verwerken dat op onze manier. En het resultaat daarvan wordt weer door anderen al of niet bewust opgenomen. Het kan, zo bezien, heel goed zijn dat de mensen in Basel, en Frans Smit in Amsterdam, zo’n 20-25 jaar geleden vertrokken vanuit gedeelde basis, zonder dat ze dat van elkaar konden weten.

Voor de vier concepten die in deze blogs zijn uitgelicht, geldt dat ze onderdeel zijn van een dergelijke keten van constante dialoog. Op die manier ontwikkelt ons vak zich verder. Ik zie om me heen dat het denken over informatiebeheer in termen van conceptueel ontwerp, (open) data, processen en architectuur, mainstream is geworden. Dat geldt ook voor het denken in termen van information governance en van totale kwaliteitszorg.

Die vernieuwing heeft echter nog niet geleid tot echt nieuwe, algemeen aanvaarde theoretische concepten. We zijn de vloeibare tijden nog zeker niet voorbij. Er zijn theoretici die hebben gesteld dat er al paradigmawisselingen hebben plaatsgevonden. Ik ben het daar niet mee eens. Veel begrippen uit de analoge wereld worden nog steeds op dezelfde manier toegepast in de digitale wereld. Denk aan het idee van een “depot”. Thomas Kuhn zou het denk ik met mij eens zijn als ik concludeer dat dan geen sprake kan zijn van een wetenschappelijke revolutie.

Dat gaat, denk ik, in de komende 10-20 jaar wel gebeuren. We kunnen radicale, nieuwe theorievorming over informatiebeheer tegemoet zien. ”Het” hangt in de lucht. De digitale transformatie heeft zijn beslag nu wel gekregen. Toekomstige digitale ontwikkelingen zullen razendsnel blijven gaan, maar ze zullen niet meer dan een optimalisering van het al bestaande betekenen. Ze zullen geen nieuwe revoluties teweeg brengen. We hebben inmiddels meer ervaring met het beheren van digitale informatie, en we hebben daardoor meer ruimte voor reflectie en onderzoek.

Als ik zou willen werken aan een conceptueel bouwwerk dat een paradigmawisseling zou kunnen inluiden, dan zouden daarin in ieder geval de volgende elementen worden verwerkt:

  1. Conceptual Design, als Kantiaans vertrekpunt.
  2. Een datagerichte en dynamische benadering van het begrip informatie.
  3. Een ethische benadering waarin informatie beschikbaar moet zijn voor de reconstructie van activiteiten en voor het hergebruik in andere activiteiten.

De drie redacteuren hebben in ieder geval schoorvoetend een eerste plan gemaakt voor een opvolger van hun Archives in Liquid Times. “Wat nu?” lijkt ons wel een passende titel.

Life flows on within you and without you. (The Beatles)

Dat geldt ook voor onze professionaliteit.

Categorieën
Informatietheorie

Over pakhuizen, analoge schoenen en poortwachters. Een terugblik op 20 jaar denken over informatie. (1/2)

Eigenlijk bestaat het vakgebied, zoals ik het leerde kennen in de jaren 80-90 van de vorige eeuw, niet meer. De verandering waar ik deel van heb uitgemaakt, is nu mainstream. Het is fijn om te weten dat ik daar een aandeel aan heb geleverd.

Toch kom ik nu ook nog discussies tegen waarvan ik denk: maar daar heb ik toch al weer (n) jaar geleden over nagedacht, van gedachten over gewisseld en over geschreven?

Het is me een aantal keer overkomen dat een idee dat ik had bedacht, of ergens had opgepikt, pas na jaren door anderen werd ontdekt en omarmd.

Blijkbaar heb ik me geregeld in een andere ruimtetijd bevonden dan vele anderen. Dat heeft er vast ook mee te maken dat ik qua opleiding en loopbaan een wat andere route heb doorlopen dan veel van mijn generatiegenoten. Ik heb het verwerken en beheren van informatie gedurende 30 jaar van veel verschillende invalshoeken en in veel verschillende omgevingen bekeken.

In deze twee blogs wil ik vier van die ideeën uitlichten. Drie van de vier komen van mezelf, en de vierde komt van Martijn van Otterlo.

Je kunt de artikelen onderaan de blogs downloaden.

Het Pakhuis (2002)
Ik werkte in 2002 bij het Stadsarchief Amsterdam aan, zoals we het nu zouden omschrijven, de digitalisering van de processen van toegankelijk maken en beschikbaar stellen van archieven en collecties. Ik had een logistiek systeem geïmplementeerd. Ik was inmiddels betrokken geraakt bij een internationaal project. Daar leerde ik de Canadese onderzoeker Kent Haworth kennen. Een geweldige man, met wie ik in die tijd ook een paar keer in Amsterdam in Brouwerij het IJ stevig heb geborreld en gediscussieerd. Kent is helaas inmiddels alweer enige tijd niet meer onder ons. Hij zette me aan om mijn gedachten te beschrijven in een artikel. Dat heb ik, met zijn hulp, dan ook gedaan.

Het artikel is geschreven in een tijd dat “de archivaris” mij nog wel eens minzaam en enigszins uit de hoogte toesprak en me aanraadde om toch vooral de traditionele opleiding te volgen. Want tsja, dan zou die nieuwlichterij er wel uit geramd worden. Daar is het dus niet van gekomen.

Zo kwam ik op het idee om het archief (de instelling) te zien als een groot pakhuis waarin gegevens in principe voor altijd veilig bewaard moeten worden. Met andere woorden: het archief was niets anders dan een historisch data warehouse. Het was eigenlijk een eerste poging tot een architectuur, met definities en standaarden. Het zou nog jaren voordat het architectuurdenken in de archivistiek ingang vond. Dat gebeurde met name in Australie en Nieuw-Zeeland. Daarna volgde de rest van de wereld.

Het idee van een historisch gegevenspakhuis is overigens nog steeds niet uit de tijd. Ik zag een aantal jaren geleden een presentatie waarin eenzelfde strategie werd voorgesteld voor het informatiebeheer in een organisatie. Die strategie bestaat dan uit het veilig stellen van de belangrijke informatie in een pakhuis. De andere plekken waar zich informatie bevindt (-en dat zijn er vele-) vormen een groot sterfhuis.

De Verschaffer (2009)
In 2008 vertrok ik na 11 jaar bij het Stadsarchief Amsterdam. Het archief was inmiddels in staat om het beheer en de ontsluiting van de beheerde gegevens (archieven en collecties) digitaal en gestandaardiseerd te beheren. Er was een degelijke basis ontstaan voor bijvoorbeeld het voeden van de website en voor de kwaliteitsverbetering van de beschikbare data.

Het was tijd om elders te kijken. Daardoor ging ik het fenomeen “archiefinstelling” van iets meer afstand bekijken. In die tijd was het internet gemeengoed geworden en waren de metaforen uit die wereld bijzonder populair. “Web 2.0” was hot. En alles moest “servicegericht” zijn. De discussie in de archiefsector en de erfgoedsector over deze nieuwe fenomenen begon schoorvoetend vorm te krijgen.

Naar mijn mening was het voor de archiefinstellingen tijd om zich flink te gaan bezinnen over hun doel en positie in een wereld die in toenemende mate gedigitaliseerd raakte.

Het bedrijfsmodel van archieven in een analoge wereld was eenvoudig en robuust. Gegevens die door de overheid bewaard moesten worden, werden binnen 20 jaar overgebracht naar een veilige plek. Daar werden ze openbaar gemaakt.

Alles op 1 plek bewaren. Dat is goed en veilig. En overzichtelijk. Dat is in een analoge wereld een prima oplossing. Maar naar mijn mening was het in 2008 al duidelijk dat dit in een digitale wereld volkomen onhaalbaar was. De idee van een “e-depot” vond ik een schadelijke metafoor omdat het de illusie van de mogelijkheid in stand hield dat archiefinstellingen op de oude analoge voet door konden gaan.

Digitaal hardlopen op analoge schoenen gaat niet. Dat vond ik toen, en dat vind ik nu nog steeds.

Het was dus tijd voor een ander bedrijfsmodel. Ik stelde voor om niet meer uit te gaan van bewaren, maar van beschikbaar stellen. Of in andere woorden: het was tijd voor archiefinstellingen om zichzelf als “provider” te denken, in plaats van als “bewaarder”. Net als een internetprovider. Het resultaat was bijgaand artikel.

Ik vind de strekking van het artikel, na ruim 10 jaar, nog steeds actueel. 10 jaar is in de digitale wereld bijkans een tijdperk van geologische proporties. Dat zegt het een en ander over de mate waarin archiefinstellingen er in zijn geslaagd om mee te groeien met de samenleving, waarin digitaal al geruime tijd het “nieuwe normaal” is.

(wordt vervolgd)

Categorieën
Algemeen

Leven in tijden van Corona

It’s Getting Better All The Time

(… It Couldn’t Get Much Worse …)

Collega (…) beschreef in het 15e dagbericht op fraaie wijze hoe zijn leven er momenteel uitziet. Zijn circulaire caravan is bijvoorbeeld in staat om een Magical Mystery Tour uit te voeren. Indrukwekkend! Hij besloot zijn bijdrage met een blik van ver boven zijn rooftop, begeleid door het toepasselijke Fixing a Hole.

Ik kan daarom niet anders dan het stokje over te nemen door mijn stukje de titel It’s Getting Better All The Time te geven. Dat is immers het voorafgaande nummer op Sgt. Pepper’s Lonely Hearts Club Band.

Let Me Take You Down naar hoe het er bij mij uitziet.

Nadat Paul optimistisch heeft gezongen dat het steeds beter gaat,  antwoordt John dat het dan ook moeilijk slechter had gekund. Die tegengestelden geven wel ongeveer weer hoe het er in Amsterdam Noord eraan toe gaat. De slinger zwaait tussen verschillende stemmingen, gedachten en ideeën. Maar ondertussen gaat het leven toch ook lekker nuchter, op zijn Westfries en onverstoorbaar, verder.

In de afgelopen weken heb ik me zo goed mogelijk gehouden aan het devies: blijf thuis, behalve als je echt ergens heen moet. En o ja, een luchtje scheppen mag ook. Die laatste mogelijkheid heb ik met beide voeten aangegrepen. Ik woon op 5 minuten loopafstand van het weidse veengebied van Waterland, met dorpjes als Zunderdorp, Ransdorp en Durgerdam. Elke dag wandel ik daar.

Het is er de afgelopen weken heerlijk rustig gebleven. Op sommige plekken schrik je als aan de verre einder een vaag silhouet verschijnt dat op een mens lijkt.

Daarom raad ik iedereen ten sterkste af om erheen te gaan. Doe het niet. Er is niets aan. Het is lelijk. Het is er niet pluis. Er groeit gras en er lopen koeien. Bovendien loop ik er rond!

Het dagelijkse ritme van het werk is natuurlijk stevig veranderd. Zo zit ik al twee maanden niet in volle metro’s en treinen. Dat mis ik niet bepaald. Ik prijs me gelukkig dat we dit de komende tijd niet vaak hoeven te doorstaan. Die situaties leveren namelijk groot besmettingsgevaar op. Hoe dan ook, ik heb wel een paar degelijke mondkapjes besteld. Die komen helemaal uit Hamburg.

Maar er is veel dat ik oprecht mis. Het leukste aan toezicht houden is voor mij het op pad gaan: inspectiebezoeken afleggen, kennis delen, in discussie gaan, presentaties bijwonen en geven, etc.  Dat valt natuurlijk wel enigszins digitaal op te vangen maar het “aura”, zoals Walter Benjamin het wellicht zou noemen, verdwijnt een beetje. En uiteraard mis ik ook het bijpraten, brainstormen en even snel iets afspreken, dat je in een kantoor kunt doen. Overigens heb ik wel een diepteinvestering gedaan. Ik heb een Gispen bureaustoel gekocht. Mijn werkplek, met uitzicht op het groen, kan niet beter.

Naast het werk en het wandelen houd ik me bezig met een studie en met een paar cursussen. Ik doe een schakelprogramma Filosofie aan de Open Universiteit. Daarvoor had ik 22 april ‘s avonds een tentamen dat ik uiteraard thuis moest afleggen. Dat klinkt relaxed maar dat was het allesbehalve. Om 19.00 uur begon het, en om 23.30 was ik klaar. Het was een slijtageslag. De uitslag heb ik nog niet maar de docente heeft me per mail al wel verklapt dat het goed zit.

Een leuke cursus die ik daarnaast doe is Philosophy of Technology. Dat is gratis te volgen, maar je moet wel een bedrag betalen als je een certificaat wilt. Het is van het platform FutureLearn. Peter-Paul Verbeek van de Universiteit Twente is de docent. Het is superboeiend en heeft zeker ook verband met ons werk. Want onze aannames, methoden, uitgangspunten en technieken vallen uiteindelijk te herleiden naar fundamentele vragen, bijvoorbeeld over hoe we de wereld kunnen begrijpen, en waarom we welke ethische oordelen vellen.

Een andere liefhebberij is schaken. Ik mis heel erg de wekelijkse schaakavonden, de toernooitjes, de uitjes en de verdere afspraken. Ik organiseer voor mijn club een wekelijks onlinetoernooitje. Op die manier maken we er maar het beste van. We fantaseren over hoe schaken in een anderhalvemetersamenleving eruit gaat zien. Met mechanische grijparmen misschien?

Tenslotte ben ik in maart, zo ongeveer bij de start van de lockdown, begonnen aan een blog. Ik heb daar een denkoefening gemaakt over wat het object van ons vak is (leve Aristoteles!).

Daarnaast schrijf ik over een man wiens geschiedenis me al jaren fascineert en over wie ik graag een biografie zou willen schrijven: de nationale Estse held, en schaker, Paul Keres. Ook staat er ter download een schaakgeschiedenisboek dat ik in 1997 heb gemaakt.

De foto op de homepage is gemaakt in de koninklijke loge van het Teatro San Carlo in Napoli, vlak voor het aanbreken van het coronatijdperk, in afgelopen januari.

De lockdown begon toen de bomen voor mijn balkon nog een winterse aanblik boden. Inmiddels dragen ze een weelderige lentetooi aan frisse groene bladeren.

Take a Sad Song and Make it Better.

Er is geen reden tot klagen in deze groene, gouden kooi.

Categorieën
Schaken

“The chess equivalent of the John F. Kennedy assassination”. Op zoek naar Paul Keres (3/6)

Paul Keres heeft iets gemeen met het Oranje mannenvoetbalelftal: hij was gedurende langere tijd een van de besten ter wereld, maar hij werd nooit wereldkampioen. Hij wordt gezien als de beste schaker die nooit wereldkampioen werd. Hij heeft van 1938 tot 1965 gestreden om het wereldkampioenschap. Hij heeft uiteindelijk maar 1 keer meegedaan met een finale. En dat toernooi leverde vragen op die, ruim 70 jaar later, nog steeds niet volledig beantwoord zijn.

Keres won in 1938 als 22-jarige het AVRO-schaaktoernooi. In die tijd werd de titel van wereldkampioen nog beschouwd als het persoonlijk eigendom van de titelhouder. Er was ook geen vastgestelde toernooi- of match-cyclus om te bepalen wie de wereldkampioen mocht uitdagen. De winnaar van het AVRO-toernooi werd echter wel algemeen beschouwd als de belangrijkste kandidaat om het op te nemen tegen Aleksander Aljechin. Het is helaas nooit gekomen tot een match. Dat kwam met name door het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog.

De deelnemers aan het wereldkampioenschap in 1948. V.l.n.r. Max Euwe, Vassili Smyslov, Paul Keres, Mikhail Botwinnik en Samuel Reshevsky. Bron: wikipedia

Aljechin overleed in 1946. Daardoor werd de titel vacant. De wereldschaakbond, de FIDE, heeft sindsdien het wereldkampioenschap georganiseerd. De eerste titelstrijd was in 1948. Daarna werd, in Paul Keres’ tijd, een driejarige cyclus geïntroduceerd waarin in een reeks kandidatentoernooien, en later kandidatenmatches, werd uitgemaakt wie de uitdager van de wereldkampioen werd.

Paul Keres in Kandidatentoernooien en -matches
Keres heeft maar liefst aan zes van die wk-cycli meegedaan. Daarbij werd hij nooit de uitdager. Hij werd vier keer tweede. Dit waren zijn resultaten:
– In 1950 werd hij in Boedapest vierde, achter onder andere David Bronstein met 9½/18 (+3−2=13).
– In 1953 werd hij in Zürich gedeeld tweede achter Vasilli Smyslov met 16/28 (+8−4=16).
– In 1956 werd hij in Amsterdam wederom tweede achter Smyslov, met 10/18 (+3−1=14).
– In 1959 bleef Mikhail Tal hem voor in Joego-Slavië met 18½/28 (+15−6=7).
– In 1962 werd hij op Curaçao gedeeld tweede, op slechts een half punt achterstand van Tigran Petrosjan, met 17/27 (+9−2=16).
– In 1965 tenslotte, verloor hij in de kwartfinale van de kandidatenmatches van Boris Spassky met 6–4 (+2−4=4).
bron: https://en.wikipedia.org/wiki/Paul_Keres?wprov=sfti1

Het is een verbazingwekkende lijst van topprestaties, waarbij slechts de kroon ontbreekt. Hoe heeft dat kunnen gebeuren? Dat is een vraag waar velen al een antwoord op hebben proberen te vinden. Je kunt je zoektocht op verschillende manieren aanvangen. Zo kun je op zoek gaan naar sportpsychologische verklaringen. Je kunt ook gaan wroeten in het karakter van Paul Keres. Wellicht is er ook iets aan de hand dat te maken heeft met een oneerlijk verloop van die toernooien. En tenslotte kunnen er historische omstandigheden in het spel zijn.

Een stijlvol geklede Paul Keres daalt met Vassili Smyslov de trap af van het Kurhaus. Bron: wikipedia

Curaçao, 1962
In één geval is duidelijk dat het toernooiverloop niet in de haak is geweest. Dat was in 1962 op Curaçao. Het toernooi is voornamelijk bekend geworden omdat Bobby Fischer de “Russen” ervan beschuldigde dat zij het onderling op een akkoordje gooiden om hem dwars te zitten. In een interview in 2002 heeft Yuri Averbach toegegeven dat dit inderdaad het geval was. Maar ook onderling had de Sovjet-delegatie het met elkaar aan de stok. In de voorlaatste ronde spanden Efim Geller en Tigran Petrosjan samen tegen Paul Keres door Pal Benko te helpen bij diens afgebroken stelling. Keres verloor, waardoor hij uiteindelijk een halfje achter Petrosjan eindigde. Petrosjan werd de uitdager van Botwinnik, en werd het jaar daarop wereldkampioen. (bron: Dominic Lawson, Collusion in Curaçao, 27 juni 2012,
https://standpointmag.co.uk/chess-july-august-collusion-in-curacao-dominic-lawson-bobby-fischer-sports-ilustrated-korchnoi/ ; Zie ook: Jan Timman, Curaçao 1962, The Battle of Minds that Shook the Chess World, 2005. P. 28-29).

Matchfixing in 1948?
Het verloop van het toernooi om het wereldkampioenschap in 1948 wekt nog steeds verbazing. Het toernooi werd gewonnen door Mikhail Botwinnik. Paul Keres werd op 3,5 punten achterstand gedeeld derde. Botwinnik won de onderlinge partijen met 3-1. Keres verloor de eerste twee partijen echter op buitengewoon knullige en onkarakteristieke wijze. Vooral de kwaliteit van zijn spel in de tweede onderlinge partij zou zelfs op het bescheiden amateurniveau van Fischer Z nog de wenkbrauwen hebben doen fronsen. Binnen 23 zetten was het gedaan.

Een ravage na slechts 23 zetten: Keres geeft in de 10e ronde na 23 zetten met zwart op tegen Mikhail Botwinnik. Foto: Frans Smit

Tot op heden is onduidelijk of sprake is geweest van matchfixing. Vooral in de jaren ’90 van de vorige eeuw is hierover een levendig debat gevoerd. Schaakjournalist Larry Evans was er bijvoorbeeld vast van overtuigd dat de partijen tussen Botwinnik en Keres doorgestoken kaart waren. Keres zou gedwongen zijn om opzettelijk van Botvinnik te verliezen: “Obviously a player of Keres’ genius isn’t going to make stupid mistakes that are easy to detect. But I believe he left a trail in the first four games for those knowledgeable enough to follow it to an inescapable conclusion.” (bron: Larry Evans, The tragedy of Paul Keres, in ChessLife, Oktober 1996, geraadpleegd op 24 juni 2016 op https://groups.google.com/forum/m/#!topic/rec.games.chess.misc/r5AAil1m1es )

In een interview met Max Pam in 1991 in Vrij Nederland zou Mikhail Botwinnik hebben toegegeven dat sprake was van een poging tot matchfixing, geïnstigeerd door Stalin. Tim Krabbé citeert hem op zijn blog: “In 1948 I played with Keres, Smyslov, Reshevsky and Euwe for the world title. After the first half of the tournament, which took place in the Netherlands, it was clear that I was going to be the new World Champion. During the second half in Moscow something unpleasant happened. At a very high level, it was proposed that the other Soviet players would lose against me on purpose, in order to make sure there was going to be a Soviet World Champion. It was Stalin personally who proposed this.” Botvinnik meldt verder dat hij dit voorstel afwees.
(bron: https://timkr.home.xs4all.nl/chess2/diary_4.htm )

Geen “Smoking Gun”
Dit wijst er inderdaad op dat Keres gedwongen werd om te verliezen van Botwinnik. Het debat in de jaren ’90 leverde echter geen hard bewijs op. In de geopende KGB-archieven was veel te vinden, maar geen “smoking gun” in de vorm van een authentiek document waarin bevelen tot manipulatie van de partijen zouden zijn gegeven.

In een reeks uitstekende artikelen op ChessCafe.com vatte Taylor Kingston in 1998 en 2001 het debat samen. Hij schrijft: “The case of Paul Keres and Mikhail Botvinnik is a chess equivalent of the John F. Kennedy assassination: an unsolved historical mystery full of dark implications, about which conflicting opinions and theories abound. Debate about the case has variously simmered or boiled for decades…” (bron: Taylor Kingston, The Keres-Botvinnik Case: A Survey of the Evidence, Part 1, ChessCafe, 1998)

Kingston concludeert dat er geen direct bewijs is dat Keres gedwongen zou zijn om partijen te verliezen. Hij schrijft dat de Estse onderzoeker, en vriend en biograaf van Paul Keres, Valter Heuer, ervan overtuigd was dat Keres in 1948 speelde om te winnen. (bron: Taylor Kingston, The Keres-Botvinnik Case: A Survey of the Evidence, Part 2, ChessCafe, 1998 )

En de uitlatingen van Botwinnik dan? Die zouden wel eens bedoeld kunnen zijn geweest om zijn eigen stoepje schoon te vegen. Genna Sosonko vond het uiterst onwaarschijnlijk dat een dergelijk ”voorstel” door of namens Stalin zou zijn gedaan: “Sosonko thinks things might have happened like this. Stalin would have made an offhand remark like: “Comrade Botvinnik seems to be headed for the chess world title. That is very good.” This might have been seen as a command and handed down as such a few levels, to a point were conceivably an undersecretary of Sports might have jokingly said something to Keres like: “You’re not going to wipe the great hope of our nation off the board too harshly today, are you?
(bron: Tim Krabbe op https://timkr.home.xs4all.nl/chess2/diary_4.htm )

How could Keres forget ‘everything else’?
Er is dus nog geen definitieve verklaring gegeven voor de vreemde gebeurtenissen in 1948. Er is geen bewijs voor bevelen uit het Kremlin. Maria Riives, de vrouw van Paul Keres, heeft ook ontkend dat sprake was van directe manipulatie. (bron: Valter Heuer, The troubled years of Paul Keres, the great silent one, in New in Chess, 1995/4 p. 79-88, 88).

Het kan ook heel goed zijn dat er andere dingen in het spel zijn. Er zijn meer “eeuwige tweedes” in de sport. Iedereen kent wel Raymond Poulidor. En het Nederlands Elftal is hierboven al genoemd. Malcolm Gladwell beschrijft in Outliers het fenomeen dat er mensen zijn die bij Olympische Spelen alle series winnen maar juist in de finale falen. En andersom natuurlijk: sporters die de finale zonder bijzondere prestatie halen, en dan juist pieken.

Ook is geopperd dat het Paul Keres ontbrak aan het killer instinct dat nodig is om eerste te worden. Botwinnik bezat dat, net als bijvoorbeeld Fischer, Karpov, Kasparov en Carlsen. Bovendien stond Botwinnik bekend om zijn perfecte voorbereiding, onder meer op psychologisch gebied.

Maar hoe komt dat? Lag het aan het karakter van Paul Keres? Was hij toch net niet ambitieus genoeg? Of lag het aan de moeilijke historische omstandigheden?

Valter Heuer citeert Boris Spassky hierover: “I know by my own experience that when climbing to the top, a man is tuned narrowly to his goal and must forget everythin else in the world, throw aside all te ‘superfluous’-otherwise you are lost. How could Keres forget ‘everything else’?“. (bron: Heuer, p. 88)

En Genna Sosonko citeert David Bronstein, die zich kapot schrok van de blik die Paul Keres hem toewierp: “The late David Bronstein recalled: ‘In the 1948 match-tournament everything was done for Botvinnik, as it was known that he couldn’t hold on for more than 15 consecutive games. It was simply a parody of a tournament – with a two-week in between break between The Hague and Moscow. I asked Keres at the time: “Paul Petrovich, how could you allow such a thing back then?”. He threw me such a look that I immediately stopped short – “I’ll take, take my question back” ‘“.
(bron: Genna Sosonko, In a Silent Way, in New in Chess, 2007/8, p. 76-83, pag. 81)

In wat voor wereld leefde Paul Keres, en wat maakte hij mee in de jaren ’40? Wat kon hij niet vergeten? Daarover gaat de volgende aflevering.

(wordt vervolgd)

Categorieën
Schaken

Van Paganini tot Gulliver. Op zoek naar Paul Keres (2/6)

Het heldendom van Paul Keres is vooral gebaseerd op zijn formidabele schaakcarrière. De website chessmetrics.com, waarop in 2005 de ratings van alle topschakers met terugwerkende kracht zijn berekend, zet hem op de zevende plaats aller tijden bij de prestaties over een periode van 20 jaar. Op dezelfde website kun je zien dat hij tussen juli 1943 en juli 1960 maar liefst 52 maanden lang de nummer 2 van de wereld was. 

De prestaties van Paul Keres zijn uitstekend gedocumenteerd op onder andere Wikipedia. Hij won drie keer het toentertijd sterkste toernooi ter wereld: het kampioenschap van de Sovjet-Unie (1947, 1950 en 1951). Op vijf olympiades won hij de gouden medaille voor zijn bordprestatie. Hij won talloze internationale toernooien. In 1964 won hij het Hoogovens Schaaktoernooi, dat toen nog in Beverwijk werd gehouden. Van 1948 tot 1965 nam hij deel aan de cycli voor het wereldkampioenschap.

Paul Keres’ opmars naar de wereldtop duurde drie jaar. Vanaf de Olympiade in 1935 verwierf hij een plaats in de wereldtop. En net als Magnus Carlsen, de huidige Mozart van het schaken, kreeg hij allerhande lovende kritieken en bijnamen. Paul Keres werd in 1937 in het Tsjechoslowaakse tijdschrift Šachový Týden gekwalificeerd als de Paganini van het schaken:

Paul Keres – the Paganini of Chess. Keres is the most admirable phenomenon in chess at the moment. In one and a half years he has produced a quantity of brilliant games that few could manage in a lifetime. The Keres oeuvre defies categorisation. He stands alone, without predecessors, and all who attempt to copy his style will fail to do so without getting punished. In future ‘Paul Keres’ will be written into the history of chess with golden letters, yet there will be no school of Keres. He alone can play in such a neck-breaking style where everything appears to be hanging by a thread, yet despite appearances every eventuality has been accounted for! In the games of Keres there are moments where other masters would crash their ships on the rocks, situations that have been pushed to the limits of absurdity. When you play through those games you will get the impression of a preposterous dance on the edge of the abyss, but once you analyse them dispassionately the logic and ingeniousness of Keres suddenly strike you. A man with such passion is a true chess Paganini who can play his devilish melodies on just one string.” (Bron: Joosep Grents – Paul Keres (2): A New Chess Superstar https://chess24.com/en/read/news/paul-keres-ii-a-new-chess-superstar-1936-7 – vertaler onbekend)

In 1938 brak hij definitief door naar de top. Hij won het AVRO-schaaktoernooi. Daarmee werd hij in feite de uitdager van de wereldkampioen. Dat was Alexander Aljechin, die in 1937 de titel had heroverd die hij twee jaar daarvoor had verloren aan Max Euwe. Hij zegevierde door in de laatste ronde te winnen van een andere coming man in de schaakwereld, de Amerikaan Reuben Fine.

Pas tien jaar later, in 1948, kon Paul Keres strijden om de wereldtitel. Het was een vijfkamp die in Den Haag en in Moskou werd gespeeld. Zowel het Britse bioscoopjournaal als ons eigen Polygoonjournaal besteedden aandacht aan dit evenement. Keres hield in de eerste ronde weinig heel van Max Euwe. De partij valt onder andere hier te zien. Maar uiteindelijk werd niet Paul Keres, maar Mikhail Botwinnik wereldkampioen.

Gedurende zijn schaakloopbaan mocht Paul Keres deelnemen aan vele internationale toernooien. Zo won hij, samen met Tigran Petrosjan, in 1963 in Los Angeles het eerste schaaktoernooi dat door de cellist Gregor Piatigorsky werd georganiseerd. Dat leverde hen allebei een prachtige Amerikaanse slee op. Ze mochten die, als bevoorrechte Sovjet-sporters, meenemen naar huis. De auto staat nu te pronken in het Estse Automuseum.

Een andere schaakverdienste van Paul Keres is dat hij prachtige schaakboeken heeft gemaakt. Hij heeft een geweldig boek over het WK van 1948 geschreven, dat in 2016 in Engelse vertaling is heruitgegeven. Ik heb in 2016 nog een flink doorrookt antiquarisch exemplaar van Keres’ Ausgewählte Partien kunnen bemachtigen bij het Max Euwe Centrum. De leerboeken van Paul Keres worden tot op heden als standaardwerken beschouwd: The Art of the Middle Game en Practical Chess Endings. 

Paul Keres overleed op jonge leeftijd. Hij was pas 59 toen in 1975 een hartaanval hem fataal werd. Hij kreeg een staatsbegrafenis, waar naar schatting 100.000 mensen aanwezig waren.

De uitvaart van Paul Keres op 10 juni 1975.
Op de foto zijn te zien: Salo Flohr, Boris Spassky, Vassili Smyslov, Victor Baturinsky, Ivo Nei en Youri Averbakh.
De foto komt van de beeldbank https://www.e-varamu.ee/

Ook na zijn overlijden bleef Paul Keres geëerd als een schaakgigant en als een held. In 2000 werd hij uitgeroepen tot Sportman van de Eeuw in Estland (net zoals Fanny Blankers-Koen in Nederland). De internationale schaakbond FIDE riep 2016 uit tot Paul Keres-jaar, naar aanleiding van zijn 100ste geboortedag.

De bewondering bleef ook onder zijn collega-wereldtoppers voortbestaan. In 2006 vertelde Boris Spassky, wiens favoriete Beatlesnummer The Night Before (=NB4) is, in een interview wat Paul Keres voor hem betekende: 

Q: Boris Vassilievich, whom could you single out as a personality among chess players? A: Undoubtedly, Paul Keres. He was the greatest treasure of the chess world. Being a man of great modesty and tact, he possessed the highest chess and general culture. His tragic destiny reminds of the end of Alekhine’s life. And if we remember that for some time there was chess rivalry between Alekhine and Botvinnik, I’d rather resort to some literary comparison. Keres was the Gulliver among the Lilliputians, he was a real giant. Botvinnik, I believe, was the leader of the Lilliputians. And that is the crux of the matter. As simple as that. (Bron: https://www.kingpinchess.net/2007/11/no-regrets-boris-spassky-at-60/ )

Op het eerste gezicht lijkt de carrière van Paul Keres, de Paganini en de Gulliver van het schaken, het succesverhaal van een natuurtalent.  

Maar dat was het allerminst het geval. Het leven van Paul Keres werd getekend door wat er met zijn land gebeurde gedurende de Tweede Wereldoorlog, en daarna. 

Hoe kwam Paul Keres de Tweede Wereldoorlog door? Hoe overleefde hij de eerste naoorlogse jaren? Wat gebeurde er tijdens het WK in 1948 en waarom verloor hij zo vaak van Botwinnik? Hoe kan het dat hij op zo’n relatief jonge leeftijd overleed? Wat was het tragische lot waar Spassky over sprak? Waarom zijn er nog steeds zoveel vragen over Paul Keres?

(Wordt vervolgd)