Categorieën
Filosofie

Wat is Verlichting eigenlijk?

De denkende mens

In zijn verhandeling  “Beantwortung der Frage: was ist Aufklärung?“ (“Beantwoording van de vraag: wat is Verlichting?”), neemt Kant het standpunt in dat Verlichting bestaat uit het proces waarin de mens zijn onmondigheid ontstijgt omdat hij zelfstandig en onafhankelijk gaat nadenken. Het devies van de Verlichting is voor Kant dan ook: durf te denken. Sapere aude! Daarbij sluit Kant overigens wel mensen uit die volgens hem niet beschikken over voldoende verstand.

De mens is volgens Kant zelf schuldig aan zijn onmondigheid. De mens is namelijk geneigd tot luiheid en lafheid. Sterker nog, de mens houdt zelfs van deze passieve houding. Daardoor laat de mens het zich graag aanleunen dat een ander hem bevoogdt en leidt. Daarom, zo stelt Kant, zullen de meeste mensen zich niet uit zichzelf bevrijden. Daarvoor hebben ze een externe prikkel nodig. 

Kant stelt in zijn artikel echter ook dat de mens van nature geneigd is tot weetgierigheid. De mens is voor hem geen machine die slechts commando’s uitvoert.

Daarmee neemt hij een positie in die tegenstrijdig lijkt. Waarom zouden de meeste mensen immers, als zij gezegend zijn met een dergelijke intrinsieke aandrift, dan een externe prikkel nodig hebben? Dat lijkt op een druk op de knop van de machine die de mens nu juist niet is.

Als de mens beschouwd wordt als een strikt rationeel wezen, zou dat inderdaad een merkwaardige positie zijn. Het lijkt er echter op dat Kant de mens niet als zodanig beschouwt. Zijn paradox kan worden onderbouwd door het standpunt dat de mens vele eigenschappen bezit, die in tegenspraak met elkaar kunnen zijn, en die elkaar zelfs kunnen bevechten. Op deze manier wordt de mens beschouwd als een (deels) irrationeel wezen dat van tijd tot tijd een duwtje in goede richting nodig heeft. 

Leiderschap

Een groot deel van Kant’s verhandeling heeft betrekking op de vraag naar wat goed bestuur inhoudt. Kant stelt dat het getuigt van goed leiderschap als een monarch de mens activeert om onafhankelijk na te denken. Deze vrije gedachtenvorming kent echter volgens Kant wel belangrijke beperkingen. Hij maakt, om deze beperkingen uit te leggen, onderscheid tussen een publiek domein en een privédomein. 

Het publieke domein kent idealiter een volkomen vrije gedachtenuitwisseling tussen experts over belangrijke onderwerpen als godsdienst en wetgeving. Deze experts vormen ook de leiders van het onmondige volk. Daarom is dat vrije debat volgens Kant zo belangrijk. Er is anders geen sprake van vooruitgang: het mondig maken van de mens. Verlichte experts zetten de mens aan tot nadenken en behoeden de mens voor dwaalwegen.

Het privédomein is voor Kant het domein waarin de mens in zijn sociale context staat. Aan die context hangen de verplichtingen vast die de mens bijvoorbeeld heeft als burger, arbeider en lid van een kerk. Hierin, zo stelt Kant, moet de mens gehoorzamen en voldoen aan zijn plichten. Alleen zo kan de maatschappij functioneren als een gemeenschap. 

De conclusie van Kant is dat een wijze monarch zowel waakt over die gemeenschapszin en openbare rust, als over de bevrijding van zijn onderdanen van onmondigheid. 

Kant stelt dat zijn eigen tijdperk geen verlichte tijd is. Hij meent wel dat sprake is van een ontwikkeling waarin steeds meer mensen verlicht raken. Dat proces is echter bij lange na niet voltooid.  Kant besluit zijn verhandeling met de constatering dat zijn standpunt een belangrijke paradox bevat: hoe groter de vrijheid, des te belangrijker zijn de grenzen die daarbij niet overschreden mogen worden.

De handtekening van Immanuel Kant

Radicale Verlichting en presentisme

Er zijn historici die Kant op deze paradox aanvallen. Jonathan Israel is een belangrijk voorbeeld. Hij stelt dat de Verlichting een programma was waarin de mens zich bevrijdt van (geestelijke) onderdrukking, en waarin belangrijke politiek-filosofische standpunten als gelijkheid, vrijheid en democratie worden omarmd en gerealiseerd. Israel onderscheidt de radicale Verlichters, die zonder reserves streefden naar revolutie, van de gematigde Verlichters, die niet zover wilden gaan. Voor de radicalen was de monarch een sta-in-de-weg van de Verlichting, terwijl Kant de monarch juist beschouwde als de hoeder daarvan.

Jonathan Israel’s standaardwerk over de Radicale Verlichting

Kant behoort in deze categorisering van Israel duidelijk tot de gematigden. Hij zou het mijns inziens daarmee volkomen eens zijn. Kant schrijft immers zelf dat revoluties niets opleveren. De mens is volgens hem geneigd tot een langzame, gestage ontwikkeling, en niet tot plotselinge veranderingen. Kant zou het ook eens zijn met de wijze waarop Israel het begrip “Verlichting” hanteert. Voor hem is het geen benaming voor een historiografische periodisering. Het is een politiek-filosofisch programma.

Er valt veel op Israel’s positie af te dingen als ze wordt beschouwd vanuit historiografisch oogpunt.  Zijn geschiedschrijving is doordrenkt van een politiek-filosofische stellingname die meer te maken lijkt te hebben met een actueel debat dan met de 18e eeuw. In de laatste decennia lijkt de opmars van universele waarden als mensenrechten en globalisering gestuit te worden. Israel ziet dit als een bedreiging.

Dat is een standpunt waar ik me in kan vinden. Het is echter wel zo dat het leggen van morele en ethische rasters over het verleden het risico in zich bergt dat het verleden gebruikt wordt om een punt te maken in een actueel debat. Israel kan zich naar mijn mening niet losmaken van dit presentisme.   

Categorieën
Algemeen

Leven in tijden van Corona

It’s Getting Better All The Time

(… It Couldn’t Get Much Worse …)

Collega (…) beschreef in het 15e dagbericht op fraaie wijze hoe zijn leven er momenteel uitziet. Zijn circulaire caravan is bijvoorbeeld in staat om een Magical Mystery Tour uit te voeren. Indrukwekkend! Hij besloot zijn bijdrage met een blik van ver boven zijn rooftop, begeleid door het toepasselijke Fixing a Hole.

Ik kan daarom niet anders dan het stokje over te nemen door mijn stukje de titel It’s Getting Better All The Time te geven. Dat is immers het voorafgaande nummer op Sgt. Pepper’s Lonely Hearts Club Band.

Let Me Take You Down naar hoe het er bij mij uitziet.

Nadat Paul optimistisch heeft gezongen dat het steeds beter gaat,  antwoordt John dat het dan ook moeilijk slechter had gekund. Die tegengestelden geven wel ongeveer weer hoe het er in Amsterdam Noord eraan toe gaat. De slinger zwaait tussen verschillende stemmingen, gedachten en ideeën. Maar ondertussen gaat het leven toch ook lekker nuchter, op zijn Westfries en onverstoorbaar, verder.

In de afgelopen weken heb ik me zo goed mogelijk gehouden aan het devies: blijf thuis, behalve als je echt ergens heen moet. En o ja, een luchtje scheppen mag ook. Die laatste mogelijkheid heb ik met beide voeten aangegrepen. Ik woon op 5 minuten loopafstand van het weidse veengebied van Waterland, met dorpjes als Zunderdorp, Ransdorp en Durgerdam. Elke dag wandel ik daar.

Het is er de afgelopen weken heerlijk rustig gebleven. Op sommige plekken schrik je als aan de verre einder een vaag silhouet verschijnt dat op een mens lijkt.

Daarom raad ik iedereen ten sterkste af om erheen te gaan. Doe het niet. Er is niets aan. Het is lelijk. Het is er niet pluis. Er groeit gras en er lopen koeien. Bovendien loop ik er rond!

Het dagelijkse ritme van het werk is natuurlijk stevig veranderd. Zo zit ik al twee maanden niet in volle metro’s en treinen. Dat mis ik niet bepaald. Ik prijs me gelukkig dat we dit de komende tijd niet vaak hoeven te doorstaan. Die situaties leveren namelijk groot besmettingsgevaar op. Hoe dan ook, ik heb wel een paar degelijke mondkapjes besteld. Die komen helemaal uit Hamburg.

Maar er is veel dat ik oprecht mis. Het leukste aan toezicht houden is voor mij het op pad gaan: inspectiebezoeken afleggen, kennis delen, in discussie gaan, presentaties bijwonen en geven, etc.  Dat valt natuurlijk wel enigszins digitaal op te vangen maar het “aura”, zoals Walter Benjamin het wellicht zou noemen, verdwijnt een beetje. En uiteraard mis ik ook het bijpraten, brainstormen en even snel iets afspreken, dat je in een kantoor kunt doen. Overigens heb ik wel een diepteinvestering gedaan. Ik heb een Gispen bureaustoel gekocht. Mijn werkplek, met uitzicht op het groen, kan niet beter.

Naast het werk en het wandelen houd ik me bezig met een studie en met een paar cursussen. Ik doe een schakelprogramma Filosofie aan de Open Universiteit. Daarvoor had ik 22 april ‘s avonds een tentamen dat ik uiteraard thuis moest afleggen. Dat klinkt relaxed maar dat was het allesbehalve. Om 19.00 uur begon het, en om 23.30 was ik klaar. Het was een slijtageslag. De uitslag heb ik nog niet maar de docente heeft me per mail al wel verklapt dat het goed zit.

Een leuke cursus die ik daarnaast doe is Philosophy of Technology. Dat is gratis te volgen, maar je moet wel een bedrag betalen als je een certificaat wilt. Het is van het platform FutureLearn. Peter-Paul Verbeek van de Universiteit Twente is de docent. Het is superboeiend en heeft zeker ook verband met ons werk. Want onze aannames, methoden, uitgangspunten en technieken vallen uiteindelijk te herleiden naar fundamentele vragen, bijvoorbeeld over hoe we de wereld kunnen begrijpen, en waarom we welke ethische oordelen vellen.

Een andere liefhebberij is schaken. Ik mis heel erg de wekelijkse schaakavonden, de toernooitjes, de uitjes en de verdere afspraken. Ik organiseer voor mijn club een wekelijks onlinetoernooitje. Op die manier maken we er maar het beste van. We fantaseren over hoe schaken in een anderhalvemetersamenleving eruit gaat zien. Met mechanische grijparmen misschien?

Tenslotte ben ik in maart, zo ongeveer bij de start van de lockdown, begonnen aan een blog. Ik heb daar een denkoefening gemaakt over wat het object van ons vak is (leve Aristoteles!).

Daarnaast schrijf ik over een man wiens geschiedenis me al jaren fascineert en over wie ik graag een biografie zou willen schrijven: de nationale Estse held, en schaker, Paul Keres. Ook staat er ter download een schaakgeschiedenisboek dat ik in 1997 heb gemaakt.

De foto op de homepage is gemaakt in de koninklijke loge van het Teatro San Carlo in Napoli, vlak voor het aanbreken van het coronatijdperk, in afgelopen januari.

De lockdown begon toen de bomen voor mijn balkon nog een winterse aanblik boden. Inmiddels dragen ze een weelderige lentetooi aan frisse groene bladeren.

Take a Sad Song and Make it Better.

Er is geen reden tot klagen in deze groene, gouden kooi.

Categorieën
Informatietheorie

Sisyphus On A Roll (4/4)

Sisyphus volgens Tiziano, Museo del Prado.

In de vorige blog is geprobeerd om een definitie te geven van een record met behulp van het instrumentarium van bepaald niet de minste filosoof uit de Westerse traditie: Aristoteles.

Deze stelde, in tegenstelling tot zijn leermeester Plato, dat de werkelijkheid kenbaar is door zintuiglijke waarneming. Die kenbare werkelijkheid bestaat volgens Aristoteles uit substanties. Deze bestaan uit materie en vorm. Zij hebben een oorzaak en een doel. Alle andere eigenschappen van substanties zijn niet essentieel.

We zijn tegenwoordig wat bescheidener in onze inschatting van onze capaciteiten om de werkelijkheid te kennen. Dat neemt echter niet weg dat Aristoteles een prachtig denkmodel heeft gecreëerd waarmee we die werkelijkheid beter kunnen begrijpen. Dat blijkt in ieder geval voor mijn vakgebied. Als je een record, of een archiefstuk, op zijn Aristoteliaans definieert, dan kom je op de volgende heldere, datagerichte en dus eigentijdse karakterisering.

De materie van een record bestaat uit data. De vorm bestaat uit informatie. De oorzaak is de verwerking van de informatie in een activiteit. En de doelen zijn reconstructie en hergebruik van de informatie.

We moeten echter nog een extra inspanning doen om Sisyphus bergopwaarts te helpen. Die bestaat uit het zoeken naar een antwoord op de vraag: hoe veranderlijk is de werkelijkheid? En in ons geval: hoe veranderlijk is een record? En ook daarbij is Aristoteles behulpzaam.

De werkelijkheid verandert voortdurend. Iedere actuele situatie is een momentopname. En dat geldt ook voor records. Het maakt daarbij in beginsel niet uit of je het hebt over analoge of digitale informatie. Oude archiefstukken zijn doorgaans regelmatig gerestaureerd. Inkt kan het papier bedreigen, de kleur kan verdwijnen en het papier zelf kan vergaan. Dat principe is in een digitale wereld niet anders. Alleen gaat de verandering daar veel sneller. Je kunt daar spreken van voortdurende bedreigingen. Informatiedragers kunnen onbruikbaar worden, software kan verouderd raken, bestandsformaten kunnen onleesbaar worden. Preservering van digitale informatie is een wetenschap op zich geworden.

Het denksysteem van Aristoteles biedt de mogelijkheid om veranderlijkheid van substanties een plaats te geven. Hij maakt daarbij gebruik van de begrippen Potentie en Act. De materie in een substantie draagt de mogelijkheid in zich om uit te groeien tot een volmaakte vorm.

In het volgende citaat wordt uitgelegd wat Aristoteles bedoelt: “Elke bestaande constellatie van stof en vorm is een actuele toestand. Die kan echter overgaan in een andere toestand, doordat elke act in zich de mogelijkheid [potentie] draagt om die bepaalde modificatie te ondergaan. En die potentie is op haar beurt doelgericht: ze streeft naar de volmaakte ontplooiing van alle met de vorm gegeven kenmerken. Als dat mislukt (en dat gebeurt in de natuur regelmatig), is de mislukking aan accidentele kenmerken te wijten die de ontplooiing belemmeren” (Bron: Antoon Braeckman, Bart Raymaekers en Gerd van Riel, Wijsbegeerte, Leuven, 2018, p.55).

De Potentie van een record bestaat uit ruwe data. De Act bestaat uit het tot informatie worden van die data.

Dit perspectief sluit perfect aan bij mijn overtuiging dat records, zeker in een digitale wereld, nooit zijn, maar altijd worden. Het is iedere keer weer een poging om te informeren. Het is iedere keer weer een Sisyphus-arbeid. Waarbij de “authentieke”, “oorspronkelijke” vorm eigenlijk nooit meer helemaal bereikt kan worden.

In de archiefwetenschap bestaat dit begrip over digitale records al enige tijd. Zo schrijven Luciana Duranti en Kenneth Thibodeau in 2006 het volgende: “The content, form, and wholeness of electronic documents are determined conceptually and logically rather than physically. A person’s conception of a digital document depends on how it is manifested to him or her. It may be manifested on a screen or on some other output device. This manifestation is fundamentally different from the way the document is encoded and inscribed on a durable digital medium. The digital encoding, which is typically described by technologists in a logical model, enables a computer to produce or reproduce the intended manifestation, but it does not have the same form and in practically all cases will not have the same content as the manifested document.” (Bron: Luciana Duranti and Kenneth Thibodeau, The Concept of Record in Interactive, Experiential and Dynamic Environments: the View of InterPARES, in Archival Science (2006) 6:13–68, p.28).

Je zou er op zijn Aristoteliaans aan kunnen toevoegen: het conceptueel en logisch begrip gaat over de vorm, en het fysieke begrip gaat over de materie.

De mediafilosoof Vilem Flusser schreef al in 1985 een geweldig boek over de invloed van digitaliteit op onze cultuur. Digitale informatie, dat bij hem een “Technisch Beeld” wordt genoemd, en dat op zijn Aristoteliaans een Vorm zou kunnen worden genoemd, is altijd in een staat van wording. Vilem Flusser schrijft: “Je moet proberen deze puntdeeltjes bijeen te rapen om ze weer concreet (begrijpelijk, voorstelbaar, behandelbaar) te maken. (…) Technische beelden zijn uitdrukking van de poging om de partikels om ons heen en in ons bewustzijn tot oppervlakken bijeen te garen, de gapende intervallen ertussen op te villen; om elementen, zoals enerzijds fotonen of elektronen en anderzijds informatiebits, in beeld te zetten.” (Bron: Vilem Flussser, In het universum van de technische beelden, (1985), Utrecht 2014, vert. Marc Geeraards, p. 23)

Sisyphus komt hiermee op het hoogste punt dat hij bereiken kan. Aristoteles heeft hem bij de hand genomen en hem, en zijn steen, bergopwaarts geleid.

Met het model van Aristoteles kun je op mijn vakgebied een verklarend bouwwerk oprichten dat effectief is. Bovendien valt het tamelijk eenvoudig te communiceren.

Ik ben ervan overtuigd dat deze denkoefening een begrip van records heeft opgeleverd dat consistenter, completer en kernachtiger is dan de definities die ik doorgaans tegenkom. Bovendien zijn ze gegrond op de klassieke filosofie, de hedendaagse informatiefilosofie en de eigentijdse archieftheorie.

Let Me Roll It, Let Me Roll It To You – Paul McCartney

PS: De volgende keer gaat het over iets echt ingewikkelds: Schaken!

Categorieën
Informatietheorie

Aristoteles Rocks! (3/4)

Als je, zoals Sisyphus in de vorige blog, de mogelijkheid hebt om langs minimaal 7 verschillende paden bergopwaarts te gaan, dan sta je voor een stevige keuze. En wie weet is er wel een achtste weg, die nog beter blijkt te zijn. Je beseft dat de steen aan het eind van al het gezwoeg gewoon weer naar beneden zal rollen. En toch ben je, volgens Camus, het evenbeeld van een gelukkig mens.

We kunnen onze mythische held iets gelukkiger maken door te proberen om hem de helpende hand te bieden. We kunnen gaan redeneren als Aristoteles. Deze ging ervan uit dat de werkelijkheid volledig kenbaar en begrijpelijk is. Tegenwoordig tref je die overtuiging nauwelijks meer aan.

Dat wil echter niet zeggen dat zijn manier van denken onbruikbaar is. Integendeel, de methode van Aristoteles kan ons helpen om betere, meer doeltreffende, definities te maken. Die definities zijn dan weliswaar geen verklaring van de wereld, maar ze kunnen wel werktuigen zijn om die wereld iets beter te begrijpen en zelfs iets beter te maken.

Aristoteles

Aristoteles’ leerstelling is dat de werkelijkheid bestaat uit substanties. Een substantie bestaat uit materie, die afgebakend wordt door een vorm. Een substantie kent ook een oorzaak. Tenslotte kent een substantie een doel. Deze vier factoren bieden een prachtige, heldere structuur om een definitie te geven voor records, of laat ik het ook maar in het Nederlands proberen: archiefstukken. Het lijkt wel alsof alle puzzelstukjes moeiteloos in elkaar passen.

Immers: als we in dit digitale tijdperk de materie van records moeten aanduiden, dan denken we automatisch aan data. Er is een enorme hoeveelheid definities van gegevens, of van data. Het is geen geheim dat ik in deze theoretische vraagstukken Luciano Floridi volg. Deze geeft de volgende, abstracte, definitie van data: “The Diaphoric Definition of Data (DDD): A datum is a putative fact regarding some difference or lack of uniformity within some context.” (Bron: https://plato.stanford.edu/entries/information-semantic/ ) In mijn eigen woorden: een gegeven duidt een verschil aan.

Andere definities geven ook aan dat een gegeven vastgelegd moet zijn. Zie bijvoorbeeld onze eigen Wikipedia. Daar wordt een gegeven gedefinieerd als de “vastgelegde uitdrukking van een feit” (Bron: https://nl.wikipedia.org/wiki/Gegeven) De vastlegging kan op allerlei wijze geschieden: van taalsymbolen op perkament tot een verzameling bits die wordt beheerd in de cloud.

De vorm van records is informatie. Met dat woord halen we ook een gigantische hoeveelheid wetenschappelijk debat binnen. Ik houd me, om Sisyphus toch een beetje vooruit te blijven helpen, wederom aan de definitie van informatie die door Luciano Floridi wordt gehanteerd. Die luidt als volgt: “The General Definition of Information (GDI): σ is an instance of information, understood as semantic content, if and only if: (GDI.1) σ consists of one or more data; (GDI.2) the data in σ are well-formed; (GDI.3) the well-formed data in σ are meaningful.” (Bron: https://plato.stanford.edu/entries/information-semantic/ )

Informatie is dus de vorm waarin de data worden gegoten. Die vorm stelt eisen aan data. Ze moeten een goede structuur hebben, en ze moeten betekenis hebben. Ik vind het mooi dat het werkwoord informeren op deze manier begrepen kan worden als het vormgeven aan data.

Een substantie moet volgens Aristoteles altijd een oorzaak hebben. Die is in het geval van records eenvoudig te aan te duiden. Een record kent altijd een vormer, of in het Engels: een creator. Ook daar stuiten we onvermijdelijk op een enorme hoeveelheid verschillende definities. Ik houd me hier hoofdzakelijk aan Geoffrey Yeo. Als ik zijn definitie volg, die ik in de vorige blog hanteerde, dan is een vormer “een persoon of organisatie die een rol speelt in een activiteit en daardoor informatie ontvangt of vervaardigt”. Hier zit ook een vleugje Nederlandse Archiefwet in. Een mooi aspect van de methode van Aristoteles is dat we met de oorzaak ook meteen een voor vakgenoten welbekende factor in archiefvorming een plaats kunnen geven: namelijk de ontstaanscontext.

Het vierde kenmerk van een substantie, volgens Aristoteles, is het doel. Daarover bestaat doorgaans weinig twijfel als het over records gaat. Die hebben twee doelen.Ten eerste dienen records er toe om de activiteit te kunnen reconstrueren waarin ze zijn gevormd. Ten tweede zijn ze bedoeld voor hergebruik in andere activiteiten.

Sisyphus is, vooruitgeduwd door Aristoteles, Geoffrey Yeo en Luciano Floridi, nu zo ver dat hij iets minder hoeft te zwoegen en op een redelijk begaanbaar pad bergopwaarts kan.

De vier kenmerken van een record zijn:

Materie = Data

Vorm = Informatie

Oorzaak = Vervaardiging of ontvangst gedurende een activiteit

Doel = Reconstructie en hergebruik

De definitie kan als volgt luiden: “Een record bestaat uit informatie die is ontvangen of vervaardigd tijdens een activiteit door degenen die een rol in die activiteit hebben vervuld. Met die informatie kan de activiteit worden gereconstrueerd. De informatie kan ook worden hergebruikt in andere activiteiten.” Het kan wellicht nog bondiger. Maar het is nu al redelijk laat. Sisyphus kan nu zeker weer een tijdje vooruit.

Dit zijn naar mijn mening de essentiële eigenschappen van records. Andere eigenschappen die aan records worden toegeschreven, bijvoorbeeld in de definities in mijn vorige blog, zijn niet essentieel.

O ja, die gelukkige Sisyphus in deze absurde wereld, dat ben ikzelf natuurlijk. En ik ben er rotsvast (sic!) van overtuigd dat de steen op enig moment ook wel weer keihard mijn heuvel af zal rollen. En dan begin ik vrolijk weer van voren af aan.

Ik ben vandaag jarig, en ik schrijf een theoretisch blog omdat ik alleen thuis moet blijven vanwege een vrijwel niet te stoppen virus. Mijn gebakje heb ik net verorberd, en straks neem ik een feestelijk biologisch wijntje. Bijna alles gaat op slot. Over een absurde wereld gesproken. Het is helemaal niet rationeel. We gaan weer door in een eeuwigdurende wederkeer.

Maar Aristoteles Rocks!

Nothing is real, and nothing to get hung about (The Beatles-Strawberry Fields Forever)

Categorieën
Informatietheorie

Sisyphus gaat aan de slag (2/4)

Het zijn absurde tijden. Binnen een paar dagen is het dagelijks leven totaal veranderd. Ik moet thuisblijven. Ik ga alleen naar buiten als het niet anders kan. De absurde kijk op de wereld van Albert Camus blijkt onverminderd actueel. Ik moet La Peste gaan herlezen. De Stad der Blinden van Jose Saramago is ook een passende leestip. Maar ik ben bang dat ik die roman kwijt ben. Misschien ben ik al zo blind dat ik het boek niet meer zie staan in de boekenkast.

Ik ga in deze omstandigheden toch proberen het geluk van Sisyphus te benaderen. Ik ga proberen wat nieuwe definities te maken die betrekking hebben op mijn vakgebied. De steen moet wat mij betreft vanaf de voet van de heuvel naar boven geduwd worden. Dat is een stevige maar louterende opgave, zoals we van Camus kunnen leren.

Schilders als Paul Cézanne en Giorgio Morandi hadden de voorkeur om steeds opnieuw hetzelfde landschap te schilderen. Op die manier ontdekten ze steeds weer nieuwe elementen in dat landschap. Bovenal ontdekten ze steeds weer nieuwe manieren om dat landschap waar te nemen, te interpreteren en weer te geven. Deze kunstenaars pasten een belangrijk filosofisch beginsel toe: waarnemen, denken en handelen beginnen altijd opnieuw bij het begin.

Laten we Sisyphus vragen om te vertrekken vanuit de theorievorming in de archiefwetenschappen. Hij komt dan meteen een probleem tegen. Welke naam geven we dat verschijnsel dat we willen definiëren? Het woord archief komt bijvoorbeeld in alle westerse talen wel voor. De betekenissen lopen echter uiteen.

In de Engelstalige literatuur bestaat een woord dat in andere talen dan weer niet in dit verband wordt gebruikt. Het gaat om het begrip record. Ik kende het woord aanvankelijk, als Beatles-fan, als het Engelse equivalent van een langspeelplaat. In mijn ogen zit daar wel een parallel. Een recording is een vastlegging. Een record is het object waarop wordt vastgelegd.

Het Engels is de Lingua Franca in de huidige archivistiek. Daarom is het vertrekpunt van Sisyphus een aantal definities van het begrip record. Ten eerste noem ik hier de definitie, of zoals hij het zelf noemt: karakterisering, van de prominente Londense archieftheoreticus Geoffrey Yeo. Die luidt als volgt: “To differentiate records from other kinds of representation, records can be characterized as persistent representations of activities, created by participants or observers of those activities or by their authorized proxies.” (Geoffrey Yeo, Concepts of Record (1): Evidence, Information, and Persistent Representations. The American Archivist, Vol. 70 (Fall/Winter 2007), 315–343, p. 337).

Yeo legt de nadruk op de aard van een record: het is een representatie van een activiteit. Een essentiële eigenschap van die representatie is de duurzaamheid, ofwel de persistence. De definitie doet geen uitspraken over de vorm, de structuur en de betekenis van de representatie. De definitie geeft wel aan dat een record wordt vervaardigd door mensen die betrokken zijn bij de activiteit.

Een andere definitie uit de recente literatuur is afkomstig van Kimberly Anderson. Zij stelt het volgende: “The record is an intentional, stable, semantic structure that moves in time.” (Kimberly Anderson, The footprint and the stepping foot: archival records, evidence, and time. In: Archival Science (2013) 13:349–371 P. 362).

In deze definitie ligt de nadruk op intentionaliteit. Dat betekent dat een record is vervaardigd met een bedoeling. Het is tevens stabiel, of met andere woorden: duurzaam. Het heeft een betekenis en een structuur. Een record kan bovendien ook in de tijd bewegen. Als je dat letterlijk neemt dan is dat een hele knappe prestatie. De definitie doet verder geen uitspraken over de aard en over de vorm van een record.

Beide definities hebben zeker hun verdiensten. Ze noemen eigenschappen op die ontegenzeglijk bij records horen. En ze noemen eigenschappen die records zouden moeten hebben. Je kunt je echter afvragen of de eigenschappen per definitie bij een record horen. Hebben termen als “persistent”, “intentional”, “structure” en “stable” niet meer te maken met de wéns dat een record zo is? Volgens mij zijn er miljarden records in de wereld die niet stabiel, niet duurzaam, weinig betekenisvol en niet of nauwelijks gestructureerd zijn.

Weet Sisyphus nu al meer? Hij zou nu kunnen begrijpen over waar records betrekking op hebben. En hij weet meer over welke eigenschappen records beschikken, of moeten beschikken. Het is echter niet duidelijk of Sisyphus nu al meer weet over wat ze nu eigenlijk zijn en vooral ook: waar ze uit bestaan.

Het derde voorbeeld van de definitie van records komt van de Society of American Archivists (SAA). Deze vereniging van archivarissen heeft een prachtige website. Die bevat een grote begrippenlijst in de vorm van een thesaurus. Als we kijken in deze glossary naar de term record dan komt Sisyphus een enorme hoeveelheid informatie tegen. Als eerste wordt duidelijk dat de SAA een record beschouwt als iets materieels: de bovenliggende term is Material. Vervolgens zijn in de glossary tientallen onderliggende termen opgenomen, die vrijwel allemaal bestaan uit de term record, aangevuld met een bijvoeglijk naamwoord.

De website van de SAA geeft maar liefst zeven betekenissen van het begrip. Die luiden als volgt: “~ 1. A written or printed work of a legal or official nature that may be used as evidence or proof; a document. – 2. Data or information that has been fixed on some medium; that has content, context, and structure; and that is used as an extension of human memory or to demonstrate accountability. – 3. Data or information in a fixed form that is created or received in the course of individual or institutional activity and set aside (preserved) as evidence of that activity for future reference. – 4. An instrument filed for public notice (constructive notice); see recordation. – 5. Audio · A phonograph record. – 6. Computing · A collection of related data elements treated as a unit, such as the fields in a row in a database table.- 7. Description · An entry describing a work in a catalog; a catalog record.” (https://www2.archivists.org/glossary/terms/r/record)

Sisyphus zou zich nu kunnen afvragen langs welke van deze zeven wegen hij zijn rots omhoog zou moeten rollen. Welke richting gaat hij op? Gaat hij misschien de definities volgen waarin de woorden data en information worden genoemd?

Wellicht verzucht hij: “But I’ve still got a long way to go.” (Elvis Costello-Sneaky Feelings).

Categorieën
Informatietheorie

Sisyphus en het D-woord (1/4)

Vaak wordt in ons vak tijdens discussies de vraag gesteld: wat verstaan we eigenlijk onder …?  Vul de woorden maar in: informatie, data, archief, archiveren, beheren, bewaren etc etc. Het D-woord valt dan. De D van Definitie. 

Het zijn oprechte vragen. Het zijn geen flauwe semantische discussies waarin spijkers op laag water worden gezocht. Het zijn ook belangrijke vragen. Want hebben we eigenlijk nog wel een gezamenlijk beeld van waar we mee bezig zijn? We kunnen toch moeilijk zonder. Ons vak heeft een metamorfose ondergaan vanwege de digitalisering van informatie. Dat maakt de behoefte nog groter. We leven in vloeibare tijden.

Zonder gemeenschappelijk gedragen definities is het onmogelijk om een zinnige discussie te voeren. Dialoog is dan uitgesloten. Laat staan dat je dan nog iets zinvols kan maken.  Een beroemd plaatje uit de ICT is die van de schommel. De gebruiker wil een schommel, en daarom willen alle betrokkenen een schommel. Vervolgens gebeurt dit: 

Wij geven vorm en inhoud aan de definitie. Vervolgens geeft de definitie vorm en inhoud aan ons leven. “We shape our tools and then they shape us”, zoals Winston Churchill zo ongeveer zei, en wat een gevleugeld woord werd van Marshall McLuhan. Het gaat dus over niets minder dan de vraag hoe we de wereld willen zien. Daarom is het van belang om je af te vragen wat je verstaat onder definities, en wat je met een definitie wilt bereiken.

Een aantrekkelijke, want gemakzuchtige, stellingname is dat een definitie  een eeuwig vaststaande, verlossende waarheid is. Het voordeel is dat je dan een vaste basis hebt. Het nadeel is dat die vaste basis helaas schijn zal blijken te zijn. Zelfs vrij stabiele begrippen als zon, koe, tafel en stoel zijn in de loop der tijden op zeer verschillende wijze gedefinieerd. Geen enkele definitie is onveranderlijk.

Het filosofisch realisme, waarin het subject zich buiten de werkelijkheid plaatst en “objectieve” uitspraken doet, is reeds lang verwezen naar de (overigens prachtige) geschiedenisboeken.

Er zijn vele andere stellingnames mogelijk. Een definitie kan bijvoorbeeld een omschrijving zijn van een kwalitatieve en/of ethische norm. Het kan ook een beschrijving zijn waarin je vooral wil omschrijven wat het doel is. Of wat de functie is. Of het veronderstelde nut. Een definitie kan ook zuiver utilitair zijn: als de omschrijving een nuttig instrument is, dan is hij OK, onafhankelijk van de vraag of die nog enige relatie heeft met de werkelijkheid. Een sceptische positie is ook mogelijk. Dan is iedere definitie haast een verzameling woorden die niets met de werkelijkheid van doen heeft. En we hebben ook nog de postmoderne positie dat een definitie altijd een verschillende betekenis zal hebben voor verschillende mensen. De pragmatische positie, tenslotte, is dat een definitie uit moet gaan van een verondersteld positief effect.

Als al die posities mogelijk zijn, is het dan volkomen willekeurig wat iemand onder een definitie verstaat, en hoe die iemand een definitie gebruikt? Nee, want dan zou het leven onleefbaar en ons werk onmogelijk zijn.  Het is dus nodig om stelling te nemen.

Ik ben pragmatisch ingesteld. Daarom vind ik dat een definitie zoveel mogelijk rekening moet houden met de context waarin deze gebruikt wordt. Daarom vind ik dat een definitie de potentie moet hebben om een zo gemeenschappelijk mogelijk beeld op te roepen waarmee daadwerkelijk concrete, positieve resultaten geboekt kunnen worden.

Het maken van definities is een Sisyphus-arbeid. Definities moeten voortdurend worden aangepast. Ze zullen nooit de status van absolute waarheid kunnen verwerven. Het werk zal nooit ophouden. Als het zo ver dreigt te komen, rolt de steen weer naar beneden en mag Sisyphus opnieuw beginnen. En dat gaat oneindig door.

Is dat een doembeeld? Ik denk van niet. Camus schreef dat we Sisyphus moeten zien als een gelukkig mens. Want meer kan een mens niet bereiken in dit absurde bestaan.